maandag 29 augustus 2011

4 SEPTEMBER, SLAU OP UITFEEST: Laurent Binet, Andrea Bajani, Hans Aarsman en Merijn Schipper

Op het Utrecht Uitfeest start SLAU het nieuwe literaire jaar met optredens van diverse toonaangevende auteurs. In het Utrechts Archief ontvangt schrijver Hans Schellekens de Italiaanse auteur Andrea Bajani, Volkskrant-fotojournalist Hans Aarsman en Prix Goncourt-winnaar Laurent Binet. De optredens zijn gratis toegankelijk. Voor elke bezoeker is er een gratis exemplaar van het Utrechtgedicht van de maand september, geschreven door dichter Merijn Schipper.





14:00 uur: Andrea Bajani & De Belofte

Andrea Bajani leverde met Wie houdt dan stand twee jaar geleden een opzienbarend debuut af. De precieze taal en verstilde toon van het boek wierpen de vergelijking op met Bajani's immens populaire landgenoot Paolo Giordano. 'Wie geroerd werd door De eenzaamheid van de priemgetallen, moet nu naar de boekhandel rennen,' aldus Alle Lansu in het Parool destijds. Op het Uitfeest presenteert Bajani zijn tweede roman De Belofte: Elke avond legt Pietro zijn oor vol verwachting op de buik van Sara om te horen of daarbinnen iets groeit. Zijn hoop slaat om in wanhoop als Sara maar niet zwanger raakt. Op een dag is ze verdwenen. Het enige wat ze achterlaat is een briefje waarop staat 'Je moeder heeft gebeld. Mario is dood. Wie is Mario?" Die vraag is voor Pietro aanleiding tot een zoektocht in het verleden, waarbij hij stuit op een onverwerkt familietrauma.

                                                      
(Foto: Bertrand Guay - AFP/ANP)


15:00 uur: Laurent Binet & HhhH
Laurent Binet schreef met HhhH hét boek van afgelopen seizoen. Het gruwelijke verhaal over de nazibeul Reinhard Heydrich en diens misdaden wordt door Binet op een hoogst persoonlijke wijze verteld. Binet componeert het boek zodanig dat zijn eigen stem als verteller en die van de historische personages voortdurend met elkaar vervlochten zijn. Het boek kreeg vorig jaar de prestigieuze 'Prix Goncourt du premier roman' en heeft inmiddels zo'n twintig vertalingen op zak. Binet vertelt hoe hij het verhaal over Heydrich op het spoor kwam en zijn bijzondere compositie creëerde. 

(Foto: Bob Bronshoff)

16:00 uur: Hans Aarsman & De Aarsman Projectie

Hans Aarsman is schrijver en fotojournalist. Twee jaar geleden verscheen zijn boek Ik zie ik zie en tegenwoordig schrijft hij wekelijks in de Volkskrant over foto’s van anderen, in de rubriek ‘De Aarsman collectie’. MaandeIijks is hij ook te zien in De Wereld Draait Door met een eigen optreden over kijken, zien en fotograferen in alle toonaarden. In januari 2012 verschijnt zijn nieuwe boek De fotodetective en vanaf februari staat hij in het theater met de voorstelling De Aarsman Projectie. Op het Uitfeest geeft Aarsman een voorproefje van zijn nieuwe boek en voorstelling. 

SLAU start het literaire seizoen
Utrechts Uitfeest, 4 september, 14:00 / 15:00 / 16:00 uur.
Utrechts Archief, Hamburgerstraat 28, Utrecht
Gratis entree.
14:00 uur: Andrea Bajani & De Belofte
15:00 uur: Laurent Binet & HhhH
16:00 uur: Hans Aarsman & De Aarsman Projectie
13:00-17:00: Expositie 'De drempelschroom verdrijven'
14:00/15:00/16:00: Merijn Schipper (Utrechtgedicht van september)

woensdag 24 augustus 2011

Arnoud Rigter - Het duimzuigend fossiel

Ein kleines Gesamtkunstwerk, of: de geboorte van een (sub)genre


De grenzen van wat poëzie vermag, worden steeds meer opgerekt. Dat blijkt uit een fascinerend werk als Het duimzuigend fossiel van Arnoud Rigter (1978). Het is zo uniek dat we er bijna nieuw genre voor moeten bedenken.

Bijna dan, want anders dan zijn eerdere dichtbundels, plaatst de voormalige stadsdichter van Eindhoven zich met zijn vierde bundel Het duimzuigend fossiel onder het kopje van de figuratieve poëzie. Dit is een dichtvorm waarbij een grote nadruk ligt op de visuele (re)presentatie van een gedicht en binnen de figuratieve poëzie is deze bundel op het eerste oog te plaatsen onder het subgenre van de graphic poem. De graphic poem of stripgedicht is een pendant van de graphic novel, in Nederland vooral bekend van Dick Matena's verstrippingen van Elsschot, Reve en Wolkers.

Figuratieve poëzie
De graphic poem onderscheidt zich binnen de figuratieve poëzie van concrete en van visuele poëzie. Bij concrete poëzie gaat het om de beeldende kwaliteit van letters. Feesten van Angst en Pijn van Paul van Ostaijen is daar een goed voorbeeld van en maar ook de laatste bundel van Ruben van Gogh, Klein Oera Linda (2008). Bij visuele poëzie worden naast of buiten lettertekens, ook andere tekens gebruikt. Dat laat bijvoorbeeld Renaat Ramon zien in Zichtbare stem (2009): in het gedicht 'Poete maudit' speelt hij een ironisch spel met uniciteit: het toont een bolhoed boven twee langgerekte kapitale letters 'N' (de Vlaamse abbreviatie van 'Nationaal Nummer' – pendant van het Nederlandse burgerservicenummer). Bij een stripgedicht vormt beeld de context van een tekst, al verschilt Het duimzuigend fossiel hierin 'enigszins' van het Nederlandstalige stripgedicht.

Wat is zo kenmerkend aan die stripgedichten? Ten eerste is een stripgedicht meestal het product van twee kunstenaars, de dichter en de striptekenaar. Voor zover mij bekend, is Lies van Gasse's Sylvia (2010) de enige bundel die bij een erkende literaire uitgeverij is uitgekomen waarin dichter en tekenaar dezelfde persoon zijn. Wanneer tekenaar en dichter verschillende personen zijn, zijn de afbeeldingen al gauw plaatjes bij een praatje. De striptekenaar geeft een creatieve draai aan de interpretatie van het gedicht en laat daar zijn technisch kunnen op los. Ten slotte bezitten vrijwel alle verstrippingen van gedichten een narratief.

One of it's kind
In tegenstelling tot de meeste stripgedichten, schreef en tekende Arnoud Rigter zijn bundel zelf. Anders dan in Sylvia en andere verstripte poëzie, zijn tekst en beeld in de dertien stripgedichten vrijwel onscheidbaar. De tekst maakt deel uit van het beeld en het beeld lijkt soms tekstuele aspecten te bezitten. In zijn vorige drie bundels speelt beeld een meer illustratieve rol. Hoewel Rigter de stripgedichten 'gedichtachtigen' noemt, lijkt het mij door de hechte vermenging van beeld en tekst bij gebrek aan een betere aanduiding handiger om zijn werk met de term 'beeldgedichten' te benaderen. Beeld en tekst lijken hier en daar in andere bladzijden door te schemeren, alsof de bundel is gemaakt met transparant papier. Rigter paste dit 'doorschemereffect' ook al toe bij zijn debuut Gruzelemensen (2005) en het geeft het effect van een filmboekje waarbij je, door de bladzijden door je vingers te laten schieten, de illusie van beweging creëert. Een duidelijk narratief ontbreekt in Het duimzuigend fossiel echter.

Rigters barokke, soms karikaturale tekenstijl roept uiteenlopende associaties op. Het doet denken aan tatoeagekunst, strips als Elfquest, maar ook aan tekeningen van de surrealiste Unica Zürn. Vrijwel elk beeldgedicht kent een wildgroei van lijnen, vlakken en vormen. Maar door de vele rechte lijnen en de dieptewerking ontstaat rust. Doordat zich dingen op de voor én achtergrond afspelen, krijgen de tekeningen bovendien een gelaagdheid die intrigeert. Door een eenvoudiger getekend beeldgedicht middenin de bundel – deels bestaande uit steeds verder uitgevlakte ruggengraat – wordt een zeker evenwicht in Het duimzuigend fossiel gebracht.

De gebruikte letters zijn in verschillende dikte, grootte en typen getekend. Bovendien is de verspreiding van de tekst over de bladspiegel ruimtelijk: tekst komt overal op de bladzijde voor en meer dan eens is een horizontale lezing onmogelijk doordat de tekst diagonaal loopt of krommingen maakt.
Uit de tekenstijl blijkt een grote affiniteit met technisch tekenen, wat niet vreemd is: Rigter studeerde af als architect. Menselijke vormen doen daarentegen gekunsteld of zelfs kinderlijk aan, maar door het precisiebombardement van visuele en tekstuele impressies die tot speels interpreteren aanzetten, stoort dit 
niet. 

Fris als goede sashimi
Tekstueel–inhoudelijk is Het duimzuigend fossiel overwegend surrealistisch te noemen. Dat komt door markante associaties en woordcombinaties als: 'men neme een lichtsmeuïge crashtestdummy' en 'ideosyncratisch gegulp' zijn fris als als goede sashimi. Met de oneliners als 'mijn tranen hebben tenminste elkaar nog', die al eerder op een zakdoek opdook in de bloemlezing Zieteratuur, Concrete en visuele poëzie uit Nederland en Vlaanderen (2010) en 'mama's eisprong is mijn privé-oerknal' is het goed dwepen. Een dikke zweem smart of empathie moet de onderstaande passage uit 'De man met de schedel op zijn hoofd' toch wel opwekken:


Hij verdiept zich in blauwhelmen en roodkapjes
en vindt zodoende de ambiance uit

(van zulke cultivering zal zijn maag gaan knorren)

hij klemt zijn grillen in maatpak
strijkt zijn hartstreek vlak

knoopt zich in toom
Home Sweet Home

zwijgt zijn gebit
terug in 't gelid

en steekt zijn kop
in de muil van
zijn hoed


Het duimzuigend fossiel komt met een begeleidende CD, waarvan de nummers corresponderen met de beeldgedichten van de bundel. Tot musicaal-literair Gesamtkunstwerk komt het echter niet. Want hoewel de nummers door hun grillige karakter van zowel de CD met de bundel overeenstemmen, leidt de muziek door haar theatraliteit en korte duur teveel van het lezen af. (Een aantal van de nummers zijn hier te beluisteren.)

De eerste pink
Tekst en beeld vormen in Het duimzuigend fossiel echter wel een hecht geheel. Dit illustreert het beeldgedicht 'De eerste pink' Het beslaat vier bladzijden. Uit de afsluiting van dit beeldgedicht, blijkt dat het handelt over het gevoel dat je opvoeders of ouders over je schouders meekijken:

(je kunt iemand
dusdanig opvoeden
dat die er een onzichtbare hand
op de schouder
aan overhoudt)

De woorden 'dusdanig opvoeden' staan overigens verticaal en verbinden omringende zinsdelen. De zin is geplaatst in een geschetst bovenaanzicht van een stad. De zin vindt als het ware zijn weg door de stad en wordt daarbij van boven (door de opvoeders) gade geslagen. Dat de zin tussen parenthesen geplaatst is, kan om beeldende redenen zijn: de zin is evenmin onzichtbaar als de 'onzichtbare hand op de schouder'.

Op de eerste bladzijde staat onder de in kapitalen geschreven titel een banier afgebeeld. Daarop staat een complex geheel van blokkige en organische vormen. Een tweetal gezichten zijn daarop duidelijk te onderscheiden. Het complexe geheel doet door zijn structurering aan als een torso of wellicht als de geabstraheerde vorm van een baby. Waarom een torso op een banier? Misschien wel omdat kinderen vaak door hun ouders als wapenfeit worden gezien, iets dat ze met enige trots in de strijd der overleving met zich meedragen. Aan dit meedragen komt nooit een eind, de meeste ouders blijven hierin gulzig, iets wat kan worden geïnterpreteerd door de haast doorschijnende tekst rondom de banier die deels bestaat uit het gedicht 'De uitvinder van de honger', dat overigens pas een stuk verderop in de bundel staat. Naast het banier valt eveneens een onder elkaar geschreven herhaling van de woorden 'GIJ ZULT' op, wat een doordruk lijkt van het gedicht 'Oefening in empathie' dat op 'De eerste pink' volgt. Ook uit deze woorden klinkt de 'onzichtbare hand' door: als dwingende, moraliserende instantie die op de achtergrond je handelen bepaalt.

Op de derde bladzijde, onder de restvorm van het torso – het banier is inmiddels verdwenen, net als de doorschijnende tekst uit 'De uitvinder van de honger' – staat als een omgekeerd vraagteken in blokvormige letters 'DE ONGESMOLTEN BROKKEN'. De woorden komen als het ware voort uit de brokkige vormen van het torso. Misschien is de interpretatie te sentimenteel, maar vanwege de associatie met 'een brok in je keel hebben' zou het hier kunnen gaan om onverwerkte emotie. Associaties met 'met de brokken zitten' (met een mislukte zaak zitten), 'een brok ellende' en 'iemand de brokken uit de mond kijken' kunnen ook van toepassing zijn.

Rondom dit omgekeerde vraagteken staat in een halve cirkel een hartfilmpje dat allengs verandert in een herhaling van de woorden 'uitdeuk hartklop' (die metrisch als het ritme van het hart klinkt) en eindigt bij een stethoscoop, waarvan de oortjes naar een schim op de achtergrond lopen. Op de achtergrond gaat deze kom- of deukvormige verandering vergezeld met hamers die het kloppen of uitdeuken verbeelden. De 'uitdeuk hartklop' kan op emotie duiden die het hart sterk doet bonzen – maar niet zonder dat de ouder hiervan op de hoogte is: hij is de schim op de achtergrond. De hamers kunnen ook duiden op het willen vermorzelen van de ongesmolten brokken. Als dat laatste spoor gevolgd wordt, is woede in het spel, terwijl wellicht om liefde gevraagd wordt: om smelten.

Een coherent geheel
Deze korte interpretatie laat zien dat tekst en beeld een hecht geheel vormen. De wijze waarop de geciteerde, tussen parenthesen geplaatste zin in het beeld is geplaatst, illustreert bovendien 'de sprekende kracht' of iconiciteit die Rigters beeld bezit: het toont het gevoel gade geslagen te worden. Relaties tot anderen, zoals een kind tot zijn opvoeders, kan als thema van Het duimzuigend fossiel worden gezien. Zo zijn komt een man/vrouw relatie aan bod, erotiek en de relatie tussen de individuele of lichamelijke waarneming en de sociale omgeving. Al in het eerste gedicht 'De dolende', dat als een motto gelezen kan worden, blijkt dat het in deze bundel om een dolende mens gaat, los van zijn oorsprong of wortels, die minder afgescheiden is van anderen dan hij denkt.

Een nieuw sub-genre?
Rigter beschouwt zich met zijn laatste uitgave nog steeds 'pre-debutaal'. Wat Rigter tot debuteren rekent, blijft ongewis. Zou de dichter zijn werk niet au sérieux nemen? We hebben te maken met iets zeer bijzonders: doordat beeld en tekst van tweeën een zijn, ontsnapt het aan de noemer 'stripgedicht'. Binnen de Nederlandstalige figuratieve poëzie, is het als een nieuw sub-genre aan te wijzen. Noem het met enige bravoure ein kleines Gesamtkunstwerk. Wie de bundel als een labyrintisch totaalproduct leest, daarbij niet schroomt om hem zo nu en dan ondersteboven te houden en het interpretatieve spel durft aan te gaan, zal er veel plezier aan beleven.


(Een compacte recensie van Het duimzuigend fossiel vind je op www.8weekly.nl)

dinsdag 9 augustus 2011

Umgezetst worden werden worden werden



Also, es ist geschied. Da sind ja einige von meine Gedichte umgezetst werden worden! Wel. Gelukkig niet door mijzelf maar door de getalenteerde Peter Mioch. Die Gedichten finden sie hier!

maandag 8 augustus 2011

7even7


7even7 is een expositie van 7even7 teams van kunstenaars (een team bestaat uit een beeldend kunstenaar en een dichter), die aan de slag 7ijn gegaan met hun interpretatie van het getal 7even7.  Frida Stad en ik hebben een ook een bijdrage geleverd. In ons geval is dat een installatie geworden rondom en over de zeven levensfasen.


De opening is op 7ondag 4 september 2011, om 14 uur. De expositie loopt van 4 t/m 28 september 2011 en vindt plaats in het FORUM-gebouw van de WUR (Wageningen Universiteit en Research), op de Campus (Droevendaalsesteeg 2, Wageningen). Meer informatie op http://www.7even7.webs.com.

Het Forum-gebouw is elke dag van de week open (ook op 7ondag) van 10-17 uur.

zondag 29 mei 2011

leesMEI

VAN LENTE NAAR ZOMER MET GORTER

Op Hemelvaartsdag, donderdag 2 juni, wordt op het Stadserf Rood|Noot te Utrecht tussen 14:00 en 22:00 uur door 101 verschillende voordrachtskunstenaars de hele zinnelijke Mei van Gorter voorgelezen. Waarom moeten we Mei nog horen?
Constatijn Huygens-prijs winnaar A.L. Snijders schreef vorig jaar naar aanleiding van leesMEI in een van zijn ZKV's (zeer korte verhalen) dat 'de dood mij met rust zal laten zolang ik Gorter lees', en heeft gevraagd elk jaar een andere pagina voor te mogen lezen.

Gorter en de Tachtigers
Herman Gorter (1864-1927) behoorde tot de generatie van de Tachtigers, die vooral bekend is vanwege Kloos' adagium dat poëzie 'de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie' was. Dat leidde in de poëzie tot toepassing van neologismen (zoals ritsellicht en tintelsneeuw) en beeldspraak die niet langer vooral leunde op de bijbel en de Griekse mythologie, maar zoals ook bij Gorter, steeds meer op de levende Nederlandse natuur.

Gorter was binnen de generatie van de Tachtigers een vreemde eend in de bijt. Niet alleen was hij een periode socialist – wat tegenover het ultieme individualistische adagium van de Tachtigers stond, maar ook liet hij al vrij vroeg in zijn carrière de vaste versvorm los. Bovendien stapte hij van het gebruik van het eindrijm af en toonde een zekere minachting voor correcte syntaxis of zinsbouw.

Van kind naar volwassene
Mei heeft een filosofisch-metafysische inslag: de idee dat de vergankelijke natuur en de eeuwige ziel nooit tot een blijvende verbintenis kunnen komen. De dichter zou als een van de weinige stervelingen iets van die ziel kunnen voelen en dat kunnen verklanken in poëzie.

Voor wie ook maar enigszins van gedichten houdt, is de Mei als aarde en brood; het hoort bij je, je hebt het nodig, je wilt er mee leven. 'De meeste mensen kennen alleen de eerste regel – "Een nieuwe lente en een nieuw geluid"', aldus initiatiefnemer Hans Heessen. 'Bijna niemand heeft het ooit helemaal gelezen. Pagina voor pagina moet het samen lukken.' In het vijfduizend regels tellende gedicht wordt het leven zintuiglijk en klankrijk verdicht. Het omschrijft de overgang van lente naar zomer, van kind naar volwassene.

Tegen de tijdgeest
Je zou LeesMEI de volkse pendant van de The 21st Annual Simply Shakespeare Celebrity Reading kunnen noemen, al is de lezing niet verstoken van prominenten. Onder de lezers bevinden zich onder meer Ester Naomi Perquin, Erik Bindervoet, gambist Ralph Rousseau Meulenbroeks, Daniëlle Serdijn en Kees 't Hart. De voordracht wordt regelmatig aangevuld met geïmproviseerde composities van geluidskunstenaars en vingervoedsel.

donderdag 26 mei 2011

Hester Knibbe - Het hebben van schaduw

ZIJN EN NIET

Zodra iets bestaat, is automatisch sprake van de ontkenning ervan. Bijvoorbeeld: als er leven is, is er dood. Of: voor ons ligt de dichtbundel Het hebben van schaduw van Hester Knibbe en al het andere in de wereld is de bundel niet.
Een van de dingen die deze bundel niet is en er toch zeer direct naar verwijst is de schaduw die de bundel als object afwerpt. Deze schaduw is zowel de negatie van Het hebben van schaduw als de bevestiging ervan. Wie echter alleen een schaduw ziet, kan maar weinig zeggen van hetgeen de schaduw afwerpt. Genoeg gefilosofeerd, laten we nader op het werk ingaan.

Wij zijn
Net als bij Bedriegelijke dagen (2008) begint Het hebben van schaduw met een openingsgedicht dat als vlaggenschip kan worden geduid.

Act

Wij zijn
           van steen in dit bedrijf en vieren
feest en dansen om een stenen tafel met daarin
gefreesd dat wij bestaan

bij gratie van. Dus til dat
zware been, wees lenig als een rots
een berg die zich verkleedt, massief bevallig
zonder leest. Wij zijn

van geest, een wolk die van de berg
de toppen leest en danst en in de hoogste bomen
lanterfant: een sluier, flarden vluchtig
lijf. Wij zijn

voor alles nog het meest
veranderlijk als vlees met harde kern dat hier
verblijft op drift naar een woestijn

geruis. Wij zijn

Zo, mens, Knibbe wijst je op je vergankelijkheid. Ze lijkt te schrijven dat we door tijd en ruimte warrelen, maar wee je gebeente: 'Wij zijn// voor alles nog het meest/ veranderlijk als vlees'. Bovendien is de harde kern die daarin verblijft – de ziel? – 'op drift naar een woestijn// geruis': het ledige, het eindeloze, het levenloze, de dood. Het wit dat als een schaduw op 'Wij zijn' volgt lijkt dit te onderstrepen: we zijn en daarna we zijn niet. Die schaduw heeft alleen betekenis door hetgeen de schaduw werpt.

Schaduw
Wat betreft de filosofische ondertoon, volgt Het hebben van schaduw zijn vlaggenschip nauwgezet. In de delen 'Het hebben van tijd' en 'Het hebben van ruimte' staan dichterlijke observaties van en herinneringen aan veelal terloopse gebeurtenissen met en passant pakkende beelden. Bijvoorbeeld in 'De berg halverwege': 'En daar liepen we/ in de barcode van het licht naar een wervelend uitzicht'. Of, in 'Waterstaat', over een zwaan op een weinig sierlijk moment: met een 'soort blauwalgkolder in z'n kop, duikt à la fuut, jaagt/ onderwaterspoken na, blaast dan weer naar wat niemand ziet, slaat met zijn wieken tegen// lucht'.

Het laatste deel 'Het hebben van schaduw' bevat twee 'in memoria' en een reeks gedichten over de zonen en dochters van Nippon (Japan), dat sinds de tsunami onherroepelijk veranderd is. Japan, zoals we het kenden, bestaat niet meer. Vergankelijkheid; we zien alleen nog schaduwen.

Taalgebruik
Door het verhalende gehalte van haar gedichten, zou je het gevoel kunnen bekruipen dat je te maken hebt met een goed gecamoufleerde prozaïst. Maar de vorm van de gedichten is goed overwogen en haar taalgebruik is vrij alledaags, al staat er af en toe een bijzonder woord tussen, zoals de blauwalgkolder van de zwaan in 'Waterstaat'. Het alledaagse zit bovendien de klankrijkheid ervan niet in de weg.

Evengoed zijn sleetse woorden deel van haar taalgebruik, zoals ook in een van de bovenstaande citaten te zien is ('wervelend uitzicht'). Dat is jammer, bijvoorbeeld in een gedicht waarin een nachthemd in de wind te drogen hangt. Het danst de 'tango', 'swingt' en het woord  'passie' wordt gebruikt. Die dikke romantiek, dat jeugdsentiment en die lege huls halen de kracht uit het vers. Gelukkig overheersen dit soort woorden niet, en zo staat er weinig in de weg om de gedichten tot je te nemen.

Leef, maar gedenk te sterven
Boekrecensies kun je zien als de schaduwen van boeken. Ze bestaan bij de gratie van die boeken en verwijzen ernaar. Maar je moet Knibbes bundel ter hand nemen om te weten of de afsluitende conclusie ook voor jou geldt: Het hebben van schaduw is een toegankelijke bundel over veelal terloopse gebeurtenissen. Een existentiële bodem ontbeert de bundel van Hester Knibbe niet: mens, leef(!), maar gedenk te sterven.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

dinsdag 17 mei 2011

Mini-essay - Young Adult Fiction / jongerenliteratuur

DE KLASSIEKERS VAN DE TOEKOMST


Wie denkt dat alleen ingewikkelde literatuur vol schoonschrijverij en diepzinnige gedachten klassieken kunnen worden, zit ernaast. Het is vooral Young Adult-literatuur die een klassieke status toegeschreven krijgt.

Opkomst en karakteristieken
Hoewel jongeren al begin 19e eeuw in toenemende mate erkend zijn als een op zichzelf staande groep, is pas sinds 1950 de marketing van YA-literatuur op gang gekomen. Dat die marketing nu zo'n grote vlucht neemt, komt waarschijnlijk door het verkoopsucces van Harry Potter en de Twilight-serie, waar pubers over de hele wereld ongebreideld hun leestanden in zetten. Een andere reden in Nederland kan de afschaffing van de leeslijsten op middelbare scholen zijn: leerlingen lezen tegenwoordig wat ze willen lezen.


Wat karakteriseert Young Adult-literatuur? YA-boeken confronteren jongeren met situaties en sociale onderwerpen die vaak iets verder gaan dan de mores van het moment toestaan. Thema's die aan bod komen zijn van groot belang voor tieners: identiteit; relaties met vrienden, liefjes en ouders; seksualiteit; gebruik van drugs en ga zo maar door. De YA-boeken zijn door hun eenduidigheid toegankelijker dan high brow-klassiekers, al is het lastig een exacte grens tussen beide genres te trekken.

Volwassenen vs. jongeren
Intrigerend is dat veel YA-literatuur die gedurende een bepaalde periode erg populair is, later een klassieke status verkrijgt. Tom Sawyer, Alice in Wonderland, Great Expectations, Catcher in the Rye, Lord of the Flies: we hoeven niet eens meer de naam van de auteur te vermelden, zo beroemd zijn ze. Dit kan betekenen dat het jeugdsentiment van de volwassen generaties invloed heeft op de klassieke status van boeken!

Je kunt stellen dat het levensritme van jongeren, hun waarden en normen en dergelijke, waarschijnlijk een bepaald soort literatuur insluit dat deel gaat uitmaken van hun volwassen culturele referentiekader. Wie weet aan te voelen hoe jongere generaties leven, denken en voelen, maakt een kans om met die generaties mee te reizen. Het genre is in opkomst, uitgevers lijken niets liever te willen dan YA-literatuur uit te geven. Prometheus bijvoorbeeld, heeft in navolging van Lebowski en Leminiscaat begin dit jaar een fonds opgericht voor jongeren. Auteurs opgelet: wil je dat je boek een gouwe ouwe wordt, verdiep je dan in de jonkies.


Bovenstaande mini-essay maakt deel uit van 'Special' op 8WEEKLY over jongenenliteratuur. Andere auteurs van dat artikel zijn Nikki Dekker en Frank Heinen

maandag 16 mei 2011

Wiljan van den Akker - Hersenpap

GEEN GEVAAR VOOR HERSENPAP

Hersenpap is de tweede dichtbundel van C. Buddingh'-winnaar Wiljan van den Akker. De bundel is melodieuzer dan zijn voorganger. Je kunt hem in een ruk uitlezen, maar pas op: er staat niet wat er staat.


'Hersenpap' kun je overal krijgen. Stel je heet Wiljan van den Akker en je ziet een oranje zonnewering. Na 'een vuistdikke knoop in de maagstreek', volgt volgens het titelgedicht dan 'een golvend geklots in het oor' en 'een huilerige leegloop / van drassige klonten zompige hersenpap'. Hersenpap is een spontaan gevoel van walging van iets dat de meeste mensen koud laat en waarbij het ook niet duidelijk is waardoor die walging precies wordt opgeroepen. Je moet er niet aan denken.

Intrigerend taalgebruik
Gelukkig is de kans dat de bundel het fenomeen hersenpap opwekt erg klein. Sterker nog, de gedichten zijn melodieus en zijn in ongekunsteld Nederlands geschreven. Hersenpap is een bijzondere bundel in die zin dat hij zich gemakkelijk voor twee soorten lezingen openstelt. Allereerst zijn de gedichten te lezen als anekdotes. Ze gaan bijvoorbeeld over hoe het is om een kind te hebben dat zich steeds zelfstandiger door het huis is gaan bewegen of over het rollen van een grote sneeuwbal en de consequenties daarvan.

Naast deze lezing kan zich een talige lezing aan je opdringen, bijna als een hond die met je wil spelen. Daarmee stuit je bijvoorbeeld op een ogenschijnlijk achteloze toepassing van kleine paradoxen en oxymorons (een stijlvorm waarbij elkaar uitsluitende begrippen worden gecombineerd) waardoor er een veelvoud aan nieuwe interpretaties mogelijk wordt. In 'Zo gaat het' is daar sprake van. 'Je weet het maar al te goed: zo gaat het nu altijd' opent het. De woorden 'nu' en 'altijd' sluiten elkaar uit, en dit is nog maar een van de vele oxymorons in zijn poëzie.

Zo gaat het

Je weet het maar al te goed: zo is het nu altijd.
Uitsluitend en alleen nu.
Op een dag valt het stil en gaat het ergens liggen.
Even kan het zich nooit meer verroeren
voordat het opnieuw in beweging moet komen.
Het is herfst. Het verkleurt. Misschien
is het voedzaam voor schimmels of algen.
Misschien is het winter en koud
blijft het herkenbaar bewaard in zijn vorm
tot het dooit op een keer in een lente.
Of misschien is het zomer en vochtig en warm
zwelt het borrelend op tot het knapt
als pap uit elkaar stroomt en weg loopt.
Daarna zal het vast verdampen, indrogen.
Dan kan het zich laten verspreiden door regens
of door een wind voorbij laten blazen.
Zo gaat het. Zo gaat het verdomme nou altijd.

Nu altijd
Dat 'nu' uit de eerste regel kan worden opgevat als een versterkende voorbepaling, waarvan ook in de laatste zin sprake is. Als het een versterkende voorbepaling is, is de hele regel paradoxaal: als iets altijd zo is, hoe kun je dan 'iets maar al te goed' weten? Voor kennis is immers onderscheid nodig en dus een veranderde situatie. Evengoed kan de regel ook om 'het nu' draaien. Dit 'nu' bestaat inderdaad altijd, want het verleden en de toekomst bestaan alleen in ons hoofd.

De nadruk kan ten slotte ook liggen op het woord 'het' dat voor 'nu' komt. Dan gaat het om het ding of concept waar dit lidwoord naar verwijst. In dit gedicht verandert het voortdurend: het valt stil, dooit, borrelt, stroomt en verdampt. Dit 'het' is water. Maar evengoed blijft het gedicht in zijn totaliteit over 'het nu' gaan, over iets dat 'altijd' is.

Kouwenaar
De combinatie van anekdotiek – een verteller die iets zegt over water en 'het nu' – en taalspel in 'Zo gaat het' is exemplarisch voor de overwegend sterke gedichten in Hersenpap. Door de ruime aanwezigheid van paradoxen en oxymorons doet de bundel onwillekeurig denken aan de poëzie van Kouwenaar, waar de Neerlandicus Van den Akker veel pap van moet hebben gegeten. Ook in Van den Akkers poëzie dringt de taal zich aan je op als taal. Doordat in Hersenpap overal sprake lijkt te zijn van een verteller en doordat hij meer anekdotiek en humor bevat, verschilt de bundel van het werk van de grote meester.

De reeks 'Kunst en vliegwerk' is daar een aardig voorbeeld van. Het gaat over het mens-zijn en de beperkingen daarvan. In het derde gedicht uit die reeks 'voelt [iemand] zich goed beroerd / door de goden' en neemt met zijn armen zwaaiend vanaf grote hoogte een sierlijke duik. Even zweeft hij, om zich daarop 'bij nader inzien grondig te pletter' te schrikken. Van den Akker vliegt hiermee bijna uit de bocht, omdat de grap evengoed wat flauw is. Maar gelukkig blijft het niet bij die joligheid. Aan het einde van het vers proeft de persoon 'aarde en bloed, flappert nog wat na, blijft lam / liggen, zakt uiteindelijk weg, diep in de grond.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

dinsdag 10 mei 2011

A.H.J. Dautzenberg - Samaritaan

NARCISTISCH ALTRUÏSME


Na zijn veelbelovende bundeling absurdistische verhalen Vogels met zwarte poten kun je niet vreten [en hier] komt Dautzenberg nu met zijn tweede boek. Samaritaan gaat over een gezonde man die zijn nier afstaat. Is deze autobiografische roman over nierdonatie even goed als zijn debuut?
De roman bestaat uit drieëndertig dialogen die verspreid zijn over drie afdelingen, getiteld: 'Pater', 'Filius' en 'Sanctus'. De hoeveelheid dialogen verwijst naar de Vagevuur-canto's van Dante Alighieri's Goddelijke komedie. Elke afdeling wordt vooraf gegaan door een canto uit deze Komedie. Vier woordenboeklemma's en drie motto's gaan de roman vooraf. We hebben onmiskenbaar te maken met een tekst die sterk gestructureerd is.

Loutering
Door al dat gegoochel met deze symbolische aantallen lijkt de roman een religieuze aard te hebben, maar God houdt zich redelijk op de achtergrond. Wel benadrukt de strenge opzet het louteringsthema van Samaritaan. De naamloze hoofdpersoon – die we met enige reserve gelijk kunnen stellen aan Dautzenberg – komt in de drieëndertig dialogen achter zijn motivatie voor de donatie en het effect daarvan. Hij weet zich daarop een ander mens.

De dialogen voert hij steeds met verschillende personages. Zo wordt er een maatschappelijk werker opgevoerd, de vriendin waarmee hij een knipperlichtrelatie heeft, zijn stervende vader en een vriend. In die dialogen worden de stappen van het donatieproces en de omstandigheden van het ziekenhuisverblijf belicht. De ietwat opstandige protagonist wil aanvankelijk zijn nier afstaan vanuit een door altruïsme vermomde doodswens (de kans van overlijden is 1 op de 2000). Uiteindelijk ontdekt hij dat hij zichzelf van zijn depressie heeft afgeholpen door iemand anders zijn nier te geven. De donatie bleek egoïstische gronden te hebben gehad.

Strak gereguleerd schrijfproces
De roman lijkt geschreven met voorbedachte rade: aan alle kanten lijkt hij het resultaat van een strak gereguleerd schrijfproces. Dat zit in de strenge indeling van de roman, maar ook in de strikt dialogische vorm van de hoofdstukken. Alle personages in de roman, de protagonist incluis, zijn flat characters. Ze zijn in hun inwisselbaarheid terug te voeren op de (gefictionaliseerde) Dautzenberg zelf.

Die inwisselbaarheid komt tot uiting in de gelijkvormige dialogen. Enerzijds blijkt dit uit het eenvormige taalgebruik dat uit alle monden hetzelfde klinkt. Anderzijds is de vaste format van de dialogen daaraan debet: de protagonist zegt iets wat redelijk bruusk is en een personage sputtert tegen. De protagonist houdt echter vol en uiteindelijk stemt het personage in of laat het er maar bij zitten. Een doodenkele keer is het andersom en stemt de protagonist in.

'Openbaring'
De opzet van de dialogen doet denken aan de sarcastische literatuur van Malaparte. Door een gebrek aan voldoende context worden de voorspelbare dialogen in Samaritaan al gauw een vorm van tafeltennis en boeten ze aan kracht in. Er wordt te veel uitgelegd en te weinig getoond. De 'openbaring' dat altruïsme een element van egoïsme bezit, een inzicht zo oud als de weg naar Rome, is door het narcisme van de protagonist al zo vroeg duidelijk dat deze climax als een ballonnetje leegloopt.

Zelfs het absurdisme dat Dautzenberg inbrengt door het opvoeren van een pratende nier, redt zijn roman niet. De verhaallijnen zijn te dun om hem tot het niveau van zijn debuut te verheffen. In een van die verhaallijnen ontmoet de protagonist toevallig de vrouw van de patiënt aan wie zijn nier moet zijn gegeven. Van die donorrelatie zijn beiden zeer stellig overtuigd. Om te weten of die aanname klopt, hoef je de roman echter niet uit te lezen.


Gepubliceerd op 8WEEKLY

zondag 24 april 2011

Yves T'Sjoen (red.) - De tegenstrijdige generatie. Dichters van de jaren zeventig

Om te openen in de trant van een recente kritiek van de nieuwe Brouwers door Marja Pruis in de Groene Amsterdammer: ik denk niet dat het heel moeilijk is om een enthousiaste, intelligente recensie te schrijven van de bloemlezing van Yves T'Sjoen De tegenstrijdige generatie. Dichters van de jaren zeventig.
Er is namelijk veel te zeggen over de bloemlezing. Maar eerst: hoe ziet deze eruit? Opgenomen is een greep uit de Vlaams/Nederlandse (babyboom) generatie dichters tussen grofweg de Zestigers en de Maximalen. Het zijn dichters die volgens T'Sjoen (1966), docent moderne Editiewetenschap en moderne Nederlandstalige literatuur te Gent, in de loop van hun carrière de aandacht van de kritiek verloren. Zij werden geboren tussen 1944 en 1954 en debuteerden tussen 1968 en 1984. Opmerkelijk aan de bloemlezing is dat de dichters zelfstandig en op uiteenlopende wijze hun gedichten selecteerden. Hierover later meer.
Geen (tegenstrijdige) generatie
'De gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen' schrijft T'Sjoen in zijn wollige inleiding. Maar waarom dan een bloemlezing samenstellen? Hierop geeft de auteur geen antwoord. Daarnaast ontbreekt een steekhoudende argumentatie bij zijn keuze voor de zeventien opgenomen dichters.
Zo blijft onduidelijk waarom hij geboortejaren van de dichters van belang acht. T'Sjoen claimt dat het hem om de generatie van de jaren zeventig gaat, maar het is een blijk van willekeur dat sommige dichters voor 1970 en na 1980 gedebuteerd blijken te zijn. Als je toch met de Franse slag selecteert, had Anneke Brassinga (1948, debuut 1987) evengoed opgenomen kunnen worden; onbeargumenteerd blijft waarom niet voor andere dichters is gekozen. Waar T'Sjoen in zijn inleiding zelf achter komt, is dat impopulariteit bij de kritiek geen criterium is: Nolens en Gerlach bleken ruim besproken – wat overigens ook geldt voor Stefan Hertmans, Hester Knibbe en Willem Jan Otten.
Draak van een inleiding
Mogelijk komt het doordat Uitgeverij Meulenhoff geen literair redacteur meer in dienst heeft, want beter dan in Stem en tegenstem (2004) en De gouddelver(2005) slaagt T'Sjoen erin tot in het uiterste te verhullen wat hij bedoelt. Zo gebruikt hij in de inleiding de woorden 'nieuwrealistische' en 'neorealisme'. Hebben deze woorden beide betrekking op dezelfde concept? Zo ja, waarom die afwijkende schrijfwijze?
De wereld is oneindig complex, maar T'Sjoen weet hem nog veel ingewikkelder te maken. In plaats van de 'onbekommerde poststructuralist' uit te hangen had hij het lef moeten hebben positie te kiezen en zijn keuzes te motiveren. Zijn inleiding had hij beter kunnen indikken tot: 'De opgenomen dichters heb ik gekozen omdat ik hun werk/hen (voorkeur te omcirkelen door T'Sjoen) leuk vind en omdat ze naar mijn zin maar weinig in de kritieken besproken worden. Toen duidelijk werd dat ik met mijn selectiecriteria erg vluchtig en ondoordacht te werk ben gegaan omdat bleek dat verschillende dichters wel degelijk veel aandacht kregen van de kritiek, heb ik mijn koers niet gewijzigd. Ik vreesde Nolens aan een volgende drankstuip te helpen en zag de nagels van Gerlach al in de lak van mijn auto. Omdat het samenstellen van de bloemlezing mij verveelde, heb ik de dichters gevraagd zelf gedichten aan te dragen.' Het had een paar bomen gespaard.
Domper voor de dichters
Het moet toch beetje lullig zijn om in deze bloemlezing te staan. Ten eerste krijgen de dichters de reputatie slecht opgepikt te worden door de kritiek. Door de keuze voor de gedichten uit handen te geven ontbreken ten tweede overkoepelende (kwaliteits)criteria. Dat is vooral vreemd omdat T'Sjoen de dichters 'hun plek' wil geven. De dichters kregen een eigen plek toegewezen en ongearticuleerd blijven hun eigen selectiecriteria. Zodoende slaat deze 'generatiebloemlezing' de plank mis: er wordt geen overzicht geschapen. Ten derde wordt hun werk door de bunker van T'Sjoens inleiding gevrijwaard van lezing. Nu ja, misschien zijn er twintig mensen te vinden, dichters en recensenten incluis. Het gaat dan ook niet om kwantiteit, maar om kwaliteit.
Gepubliceerd op 8WEEKLY