Posts tonen met het label poëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label poëzie. Alle posts tonen

vrijdag 20 april 2012

Erik Spinoy - Dode kamer

Gedempt contact met de buitenwereld


Dode kamer van Erik Spinoy, VSB Poëzieprijs-genomineerde 2012, is een bundel waarin vrijwel niets concreet wordt of door het witte membraan rondom de gedichten dringt.

De titel van de bundel is uitstekend gekozen. Een dode kamer is een ruimte voor akoestische opnames en metingen; ze heeft wanden die alle geluid maximaal absorberen. Ook op een andere manier geeft de titel te denken.

Ontbrekende handvatten
De titel Donkere kamer verwijst volgens het achterplat eveneens naar een kunstwerk van Ann Veronica Janssens: een mistige ruimte met wisselende kleuren, wat een sferisch, maar ook dempend gevoel oplevert. Daar sluiten Spinoys gedichten goed bij aan. Van werkelijk menselijk contact tussen de personages is in het werk geen sprake. Niet zelden ontbreken handvatten om de buitenwereld concreet te beleven:

Een hagelwitte zomerregendag in dit
of op een ander continent.

Door het verblindend daglicht in de witte zaal
de watergroene binnentuin
de stortbui in de hete binnenstad

glijdt uit het niets
zo'n vissige fiets

met op de naaf een aluminium schijf
die al dit licht vangt en opeens

de aardas met een knik verdraait

en al de rest onmerkbaar eerst
verschuiven doet.

Met de hagelwitte regen lijkt het gedicht uit het omringende wit te kruipen en na een onmerkbare verschuiving vervaagt het weer in dat wit. De vaagheid wordt versterkt doordat het gedicht vol staat met woorden die elkaar lijken uit te sluiten. Hagel en zomerregen; de regen en al het witte licht en de witte zaal; de buitenruimten van de binnentuin en -stad. Dat het gedicht zich op dit of op een ander continent afspeelt, maakt de beschreven belevenis ronduit een fictieve: zij vindt volledig plaats in de verbeelding van het gedicht.

Postmoderne romantiek
In het oeuvre van Spinoy zijn zeker twee constanten aan te wijzen. De eerste is een hang naar romantiek (iets waaraan hij zich ook in het Gedichtendagessay As/zteken (2012) schatplichtig acht). Vooral in zijn vroege werk lijkt de dichter hierdoor soms een vazal in dienst van een oud koninkrijk. Ook in deze bundel kom je bijbehorende thema's tegen: met name dat van het onbenoembare of ongrijpbare andereDe tweede consistente is zijn voorliefde voor 'witte woorden', zoals 'dauwwit', 'sneeuwwit' en 'rijp'. Als meest gebruikte witte woord staat 'hagelwit' met stip bovenaan – alleen al in Dode kamer zie je het een keer of zeven terug. De witte woorden betreffen vaak pseudowitten (want hoe wit is hagel nu eigenlijk?) die verdwijnen zodra (weers)omstandigheden veranderen. Zien we hier een poëtica van negatie terug waarin taal niet naar de wereld om ons heen verwijst, maar alleen naar zichzelf?


Je kunt bovendien vermoeden dat deze witte voorliefde samenhangt met een drang om het onrepresenteerbare te representeren – iets wat in beginsel onmogelijk is. Dit onrepresenteerbare is wel voelbaar in een vloeibaar, veranderlijk taalgebruik. Althans, volgens Jean-François Lyotard, van wie een motto voorin Dode kamer afkomstig is. Spinoy, die de postmoderne filosoof behandelde in zijn proefschrift Twee handen in het lege. Paul van Ostaijen en de esthetica van het verhevene (Kant, Lyotard) (1994), komt met de onbestendigheid van zijn pseudowitten aan dat vloeibare, veranderlijke taalgebruik tegemoet.

Cyberlamp
Maar ook zonder diepgravende beschouwingen kom je de bundel goed door. De nevenstellingen in de gedichten van observaties en beelden doen wellicht denken aan het werk van Martin Reints. De soms wetenschappelijke woordkeus (zoals 'cyberlamp' en 'bewegingsynthese') doet denken aan het frisse taalgebruik van Sybren Polet. Het geeft deze poëzie de beleving van het aandachtig kijken naar een intrigerend fotoboek.


Gepubliceerd op 8WEEKLY.

dinsdag 6 maart 2012

DichtSlamRap Boxtel

Jonge goden, vrouwen met jurken



Wie DichtSlamRap 2012 openslaat loopt het gevaar ongekend talent tegen te komen. De bundel biedt zicht op nieuwe lichting 
dichters.


Jaarlijks organiseert DichtSlamRap te Boxtel een poetry slam die 
gepaard gaat met een posterontwerpwedstrijd. Ook bij deze 
negende editie belanden alle meedingende dichters de bundel. 
De poster siert de omslag. Bovendien staan in de bundel een 
vijftal kunstwerken die op de gedichten zijn geïnspireerd.

Posterontwerp van Adrie Stanziani
Posterontwerp van Adrie Stanziani
Slamgedichten

DichtSlamRap 2012 is op te vatten als een bloemlezing. Om 
aan de slam en de bundel te kunnen deelnemen zonden 
de dichters twee ongepubliceerde gedichten in. De jury van 
dit prachtige initiatief bestaat uit dadadichter ACG Vianen, 
dichter/performer Maarten Gulden en organisator/journalist 
Marcel Linssen. Van light verse tot geëngageerde occupypoëzie, 
de ingezonden gedichten voldoen allemaal aan een gedegen
interne consistentie.

Anders dan de meeste bloemlezingen zijn in DichtSlamRap 2012 
voornamelijk slamdichters opgenomen. Dat maakt dat je van 
kaft tot kaft rijp, maar vooral veel groen tegenkomt. Bekendere 
namen als Ellen Deckwitz en Arnoud Rigter staan tussen 
dichters die men vooral uit de 'scene' kent, zoals Ellen Vedder
Saskia van den Heuvel en Nadine Ancher. Bovendien kom je 
onbekend talent tegen, zoals de veelbelovende Nic Castle:

Dag, Straat, Zonlicht

Rokend en rouwend liep ik je omver.
Zwart op zwart en ogen felblauw. Ik riep nog:
kijk naar me!, maar als een figurant onder
eigen regie keek je ergens zonder mij, en

ik liep je omver. Viel er toen zelf achteraan.


Ik kneep mijn ogen veilig voor het felle geel,
hoorde een vloek. Mompelde iets betekenisloos.

Je kwam
als silhouet

in mijn gezichtsveld overeind. Loop maar door,
zei ik. Je boog voorover, pulkte met
grote, iets te ruwe vingers, een peuk
uit mijn haar. Toen liep je weg.


Posterontwerp van Lianne van Tartwijk
Posterontwerp van Lianne van Tartwijk
Maar ook internationaal
Dat een goed deel van de 35 dichters nog wat nat achter de 
oren is, maakt dat je soms sleetse beelden en taalgebruik 
tegenkomt. De Eindhovenaar Willem Adelaar, die even 
mager 'praat' als Jan Arends (!), glijdt uit met een aantal zeer 
symbolische rozen. Elders in de bundel komt iemand niet 
weg met het woord 'harteklop'. Wellicht dat zulke gemeenplaatsen 
op de slampodia overeind blijven, op papier lukt dat niet. 
Geforceerd is ook de bijdrage van de winnaar van de 
DichtSlamRap 2011, Philip Meersman. De op de podia bij vlagen 
pathetische, maar overweldigende voordrachtskunstenaar bracht 
een sterretje in, een klein kruis en een met een stift geplaatste 
rode veeg. De gezochte verwijzing naar een werk van 
de Russische minimalistische dichter Vasilisk Gnedov is een 
anachronisme dat visueel-inhoudelijk geen dialoog aangaat met 
de hedendaagse (figuratieve) poëzie.

Net als DichtSlamRap 2011 staat in de bundel van 2012 een bijdrage 
van de Zuid-Afrikaanse Floris Brown. Internationaal wordt het ook bij 
Hanneke van Eijken. Met haar gedicht trotseert ze de tijdsgeest en 
bezingt Europa. Door gedichten als deze in de bloemlezing 
op te nemen, positioneert DichtSlamRap zich, gewild of ongewild, 
ten faveure van tolerantie. De wraak van goden is van alle tijden.

Op de rug van een stier

Iemand zei dat Europa niets meer is
dan een grillige vlek op een wereldkaart
zonder te beseffen dat de wraak van goden
van alle tijden is

dat Europa vele metamorfoses kent
zij is een eiland in de Indische oceaan
een maan bij Jupiter
zevenentwintig landen die als koorddansers
in evenwicht
proberen te blijven
er leven godenkinderen die vergeten zijn
wie hun vader is

Europa is een vrouw met een kast vol jurken
ze houdt er niet van om een vlek genoemd te worden
over wraak van goden en vrouwen
met jurken
kun je beter niet lichtzinnig doen.

vrijdag 24 februari 2012

Peter Ghyssaert - Ezelskaakbeen

Groen glanzende tuinen vol taaie sinaasappelbomen



De VSB Poëzieprijs 2012 ging nipt aan Peter Ghyssaert voorbij; met Ezelskaakbeen legde hij bijna een gouden ei. 

Laat je blik over het openingsgedicht 'De strijkstok' schuiven en je vermoeden is bevestigd: muziek is nog altijd een prominent thema in Ghyssaerts werk. Wel is Ezelskaakbeen compacter dan zijn eerdere werk. Waar Cameo (1993) bijvoorbeeld haast een tuin is waarin je bijna als een kind van steen naar steen langs de verzen springt (een pad gelegd langs onder andere het prachtige gedicht 'De vijver'), zo waan je je in Ezelskaakbeen meer een vorsende botanist. Als je de gedichten van dichtbij beziet, groeien ze tot bijzondere soorten.

Exoten
Kleine lichamen (2005) in zijn oeuvre plantte –  maar ook exoten. De meest in het oog springende is 'De koningtabel', een gedicht vol namen van Britse vorsten en hun regeringsperioden. Het begin daarvan lijkt een spore van de poëzie van Borges, die natuurlijk nergens in diens werk voorkomt.

De koningtabel

Creoda of Crida: koning van 585 tot 593;
Pybba: koning van 593 tot 606;
Ceorl: koning van 606 tot 626;
Penda: koning van 626 tot 655;
    mogelijk een gedeeld koningschap; gevallen op het slagveld.Eowa: koning van 635 tot 642;
    co-heerser en mogelijke rivaal.Peada: koning van 635 tot 656;
    vermoord. Peada was onderkoning van Midden-Anglia    en gedurende een korte periode onderkoning van Zuid-Mercia    na 655.Wulfhere: koning van 658 tot 675;
Athelred: koning van 675 tot 704;
    troonafstand: trok zich in een klooster terug.Cenred: koning van 704 tot 709;
    troonafstand: ging als monnik naar Rome.
Ceolred: koning van 709 tot 716;
    krankzinnig gestorven; mogelijk vergiftigd. Het is

een mooie ochtend, zeldzaam helder voor deze contreien;
heuvels liggen koud en afgevlagd aan de horizon; er is
een stilte om van te genieten of
te betwijfelen.

Ik ben mijn naam vergeten; elke letter
kan de eerste letter zijn.

Iemand die net als ik zijn naam kwijt is
zal straks het bassin met parelgrijze verf omverkieperen.

Maar nu staat hij in dezelfde stilte
te genieten of te twijfelen.

Bijzonder sensitief is de volta aan het einde van de koningtabel die in het gedicht is opgenomen. Mogelijk komt dit door de perspectivische verandering: na een algemene opsomming is hier plotseling een anonieme mens aan het woord. De laatste strofen van het gedicht zijn dan ook typische Ghyssaert-strofen, want ook de stilte, de vergetelheid en de eindigheid hebben een plek in het gedicht. Bij Borges zouden die al gauw in het kader van de herinnering staan.


De broekspijp van een reus
Het gedicht 'Van de loper die per ongeluk in een baan om de zon terechtkwam' kan eveneens zijn aangewaaid. Het roept vluchtige associaties op met het ongebreideld fantasierijke Kosmikomische verhalen (1965) van Italo Calvino, al speelt het gedicht zich niet in het heelal af, maar in een alomvattende boomgaard.

Hij wilde niet, maar het gebeurde; de bocht
was veel te wijd, de broekspijp
van een reus.

Langs groen glanzende tuinen ging de weg, vol
taaie sinaasappelbomen.

Ook dit gedicht verwijst naar een aan een andere dichter ontsproten vers:

Lopende
viel hij in slaap, en slapend
liep hij langs de vruchten
en hun schil vol wonderlijke olie,

De strofe is niet te lezen zonder aan de opening van J.C. Bloems (zijn naar de natuur verwijzende naam is in deze weinig opmerkelijk) 'Insomnia' te denken. Ghyssaerts vers verleent zijn kracht aan een aantal mooie beelden, waarvan de wijde bocht die als een broekspijp van een reus wordt omschreven het meest in het oog springt.

Smakeloze avond
Een gouden ei is de bundel evenwel niet. Enerzijds bevat Ezelskaakbeen sterk beeldende, soms zelfs ontwrichtende gedichten en past de bundel gezien de thematiek binnen Ghyssaerts oeuvre, anderzijds heeft hij soms iets opgedofts. Dat komt door romantische frasen als 'verspilde pijn' en 'misbruikte tijd'. Ook draagt de neiging tot het vage daaraan bij. Neem 'De avond eindigt hier':

Nooit helemaal begrepen,
nooit volledig naakt, nooit gevuld,
maakt ruimte tussen de spaken
van een draaiend wiel
de avond goed

en doet iets aan een roerloze,
verfomfaaide, misbruikte tijd
– en gaat voorbij.

De smakeloze avond
eindigt hier, in nuchter,
exploderend licht

maar het wiel, dat de ruimte
met zich meegenomen heeft
naar het einde van de weg,
draait nog

en in het vergezicht
verzinnen we daarom een bocht
en verder niets.

De regel 'naar het einde van de weg' is én overbodig én te symbolisch en daarmee samenhangend, erg abstract. Het einde van het gedicht is evenwel ijzersterk. Daarmee is 'De avond eindigt hier' een aardig voorbeeld van Ghyssaerts bundel: vol sterke beelden en sensitieve verzen, maar evenmin verstoken van onkruid. Er had meer geschoffeld kunnen worden


Gepubliceerd op 8WEEKLY.

zondag 22 januari 2012

woensdag 18 januari 2012

Noord Nederlandse Dans - Instrumental


I'll marry the dark


Instrumental van Noord Nederlandse Dans bestaat uit drie steengoede wereldpremières. Met name over 'Strange Light', een uitvoering geïnspireerd op een gedicht van Derrick C. Brown, kun je lyrisch zijn.

Instrumental, dat al op 21 oktober 2011 in première ging, heeft de vorm van een sandwich en is alleen al wat dat betreft een appetijtelijke voorstelling. Het brood van die sandwich wordt gevormd door choreografieën van de vaste choreograaf Stephen Shropshire, het middelste deel is gemaakt door de Israëlische choreograaf Emanuel Gat.

Van laag naar een duet
De opbouw van het programma is goed gekozen. De start is dynamisch. In 'Now lay me down' toont Shropshire met zijn dansers en celliste tegen de achtergrond van de abstracte muziek van David Lang een energieke dans die zich veelal laag bij de grond afspeelt. Boven de dansers hangt een groot scherm waarop afwisselend overtrekkende wolken en/of wolkende vulkaanas is te zien.

Het daarop volgende duet van twee danseressen heet 'Time Touching Themes' en is duidelijk herkenbaar als Gat's werk. Niet alleen is het podium kaal, maar ook moet het publiek zelf aan de dans betekenis geven. Gat is bij het maakproces uitgegaan van wat zich in de studio afspeelde. Het terugzien van het impliciete gedrag dat zich bij repetities afspeelt, zie je op het toneel terug en dat maakt de dans op momenten erg geestig.

Een dans tussen uitersten
De voorstelling lijkt een onderliggend thema te voeren: uitersten. Voortdurend is er sprake van versnelling en vertraging en steeds lijkt het te gaan om een reageren op elkaar. Niet dat de dans een grote golvende aaneenschakeling is, maar de dansers zijn vooral op elkaar gericht. Het zorgt ervoor dat de dans, in tegenstelling tot het haast betonnen podiumbeeld, iets provisorisch krijgt.

Maar toch is elke beweging een beheerste. De frictie van uitersten, zoals die hierin gesuggereerd wordt tussen reguliere dans en de innovatieve dans van Gat, komt ook op andere vlakken tot uiting. Bijvoorbeeld in de geweldige casting van de danseressen. De ene is tenger, bleek en heeft lang zwart haar, de andere is haar tegendeel. Dit contrast wordt nog eens aangezet door het scherpe, haast industriële licht dat vanuit de linkerflank op de dansvloer valt, waardoor harde schaduwen als geluidloze echo's meedansen.

Strange Light
Het hoogtepunt van de avond wordt niettemin gevormd door 'Strange light', een voorstelling die geboetseerd is naar een gedicht van Derrick C. Brown. Dit gedicht heeft de loop van een leven als onderwerp. Specifieker gaat het over Browns leven, al schiet het gedicht ook de toekomst in.

Here is the story of one man with a strange light
and tiny blisses.
Zo opent het stuk, en aanvankelijk is de verteller in het gedicht optimistisch over het einde:

I'll marry the dark.
When the dark comes
I will party in it.
I will make it silly. I will keep my light

Het eindigt echter grimmig als zijn grote liefde overleden is en hij op de rand van de dood verkeert:

Fuck you.
I must keep you alive in my head Margaret.
I loved your full resume.
I loved your throaty kiss.
I am gushing.
Iam ready to fill this night with senseless acts of
ha cha cha, no retreat, no quarter.
I'm going bezerker.
I ain't goin' west
like death.

De choreografie is op het gedicht geïnspireerd. Zij is perfect in balans: de spanningsbogen zijn goed, er bestaat veel variatie binnen de verschillende delen en bovendien wordt het verhaal van het gedicht helder, maar nooit eentonig of voorspelbaar tot leven gebracht. Soms is de voordracht van Brown zo sterk dat je vergeet naar de dansers te kijken. Maar dat is geen kritiek op de dans zelf. Die is soms erg geestig, bijvoorbeeld wanneer de van zichzelf overtuigde jongeling wordt getoond. Op andere momenten kan hij ronduit indringend zijn, neem het moment wanneer de protagonist oud is en zijn Margaret overleden is.

De Noord Nederlandse Dans moet, met nog enkele voorstellingen in het verschiet, het stuk maar in reprise laten gaan, want Instrumental is een voorstelling om vaker te bezoeken.


Gezien op 10 januari 2012, in de Toneelschuur, HaarlemGepubliceerd op 8WEEKLY!

zaterdag 14 januari 2012

W.F. Hermans - Volledige werken 9, Gedichten

Bloed omspoelt het dode paard dat valt

Hinkstapsprongsgewijs verschijnen ze, de Volledige werken van W.F. Hermans. Afgelopen najaar kwam deel 9 uit bestaande uit een genre waarvan veel mensen vergeten dat Hermans het bedreef: poëzie.

Nitroglycerine-gele Singhalese,
mijn scheermessen van edelstaal
worden door naakte negerinnen geslepen.
En onder hun scherpte bezwijkt je schaamhaar
elke ochtend.

Het is de opening van het meest zinnelijke gedicht van Hermans, 'De heilige Maria Juana', dat hij onder het pseudoniem Luís Juana schreef – een Mexicaanse dichter die op 8 juli 1949 bij een straatgevecht omkwam. Het wijkt sterk af van zijn kleine dichterlijke oeuvre.

Ik krijg er maar twee!
Hermans schreef zijn eerste sonnet toen hij nog op de HBS zat, en ondanks dat men hem gezegd had dat het erg moeilijk zou zijn, kostte het hem weinig moeite.Kussen door een rag van woorden (1944), zijn debuut, verscheen nog tijdens WOII en werd in kleine kring verspreid. Net als de drie bundels die erop zouden volgen –Horror Cœli en andere gedichten (1946), Hypnodrome. Gedichten (1948) enOvergebleven gedichten (1968) – verscheen het na de oorlog in een gewijzigde editie.

De auteur gruwelde van onregelmatigheden in zijn eerstelingen. 'Ik zou willen dat alle oude drukken van boeken die in verbeterde vorm herdrukt zijn, als bij toverslag tot stof uiteen vielen, ook al gaat het maar om een komma', aldus Hermans. Omdat hij, slordig als hij zichzelf zag, alle fouten wilde uitbannen, zou hij bij nieuwe publicaties keer op keer om extra drukproeven vragen. In een correspondentie met Van Oorschot schrijft hij:

Hoeveel haast er ook moge zijn, een boekje wordt praktisch waardeloos, wanneer de auteur zelf niet van alles minstens twee proeven heeft gehad […] Joyce had 20 drukproeven nodig, en ik krijg er maar twee!

Een Werther
In Volledige werken 9, Gedichten wordt enorm veel gesnikt, getraand, geweend, gehuild, gejammerd en geschreid; er zijn een tranendoek, druppels, bloedende ogen, longen die verscheurd zijn, trillende lippen en kolkende regen in de oogkassen te over. Deels komt die vochtige stormvloed doordat een groot aantal gedichten verschillende keren opgenomen is – alle van elkaar verschillende drukken vind je in Volledige werken 9 terug. Evengoed zegt dit wateren iets over de aard van het gros van zijn gedichten. 

XIV

Als kleine vogels nestelden je handen
in de bonten mouwen van je mantel.
Fladderden over de breede randen,
Je vingers beurtelings vleugels of halzen,
Je glanzende nagels roze snavels.

Je wimpers waren kleine waaiers,
Die je bezwerend neer kon slaan,
Voor wat je te zeer zou hebben ontdaan,
Of wat in je oogen kon ontstaan.
Maar soms ontgingen hen toch je tranen.

Hoewel Hermans late poëzie, met name de Overgebleven gedichten lichter en geestiger van aard is dan zijn eerdere werk, zijn de gedichten nooit wezenlijk van klankkleur veranderd. Zoals 'XIV' (Kussen door een rag van woorden(1948)) al suggereert, zijn ze sterk romantisch en soms zelfs dweepzuchtig. Zijn gedichten zijn wel vergelijkbaar met die van Ed. Hoornik, die in dat stof waarin hij verzonken is het opzoeken overigens wel waard blijft. Het maakt Hermans een soort Werther die zich nog net niet van kant maakt, zoals hij de puberale inborst in zijn gedichten opvoert. Je zou willen dat hij meer zinnelijke verzen had geschreven in de trant van 'De heilige Maria Juana'.

Straattoneel
In een brief aan de literator R.A. Basart zou Hermans aan zijn dichten terugdenken:

Soms heb ik het gevoel dat deze gedichten, vooral de oudste, niet door mijzelf geschreven zijn, maar door een door mij verzonnen romanfiguur uit een roman die in de pen gebleven is. Of misschien wel uit de pen gekomen is, minus het dichterschap van de hoofdpersoon.

Dat Hermans' poëzie echter nog courant is, komt door het alledaagse taalgebruik. Dat geldt vooral voor de gedichten met een licht surrealistische inborst. Met name 'Straattoneel' staat als een huis:

Te steil die brug. De voerlui slaan het paard
Met ijzren buizen galmend op de rug.
De moeder ijlt haar dochter na op straat,
Een mes valt als een noodkreet uit een raam.
Te steil die brug. Van olie glanst het asfalt
En bloed omspoelt het dode paard dat valt.
Het mes staat siddrend in een dorre boom.
Er klinken schoten ergens onder mij.
Er rijdt een priester op een fiets voorbij.
Aan 't kruispunt weet hij verder niet te gaan.
(Twijfel is een rood licht waarvoor hij remt.)
Hij blijft met uitgestrekte armen staan.

Zodat van ver, hij op de Heiland lijkt
En dichtbij, op een verkeersagent.

Het gedicht is afkomstig uit Hypnodrome (1948) en zal in Overgebleven gedichten(1968) in licht gewijzigde vorm terugkeren. Minder sterk, met name doordat het mes daar uit het raam 'vliegt', waardoor het schrikmoment ietwat wordt getemperd. Zou er echter maar een gedicht van Hermans overleven, laat het dan dit gedicht zijn.

Gepubliceerd op 8WEEKLY!

donderdag 13 oktober 2011

Anne Vegter - Eiland berg gletsjer


Pijpen van plezier

Anne Vegter is een opvallend speelse auteur, van wie veel dichtwerk met erotiek doordesemd is. Zo ook in de voor de VSB Poëzieprijs 2011 genomineerde bundel Eiland berg gletsjer, al kan het er soms tussen de dijen onder nul zijn...

Erotiek is een van de lastigste onderwerpen in de literatuur. Een kleine greep uit de vele prozadebuten van de afgelopen jaren laat het zien: in poging effect te sorteren, verworden ze tot een zoveelste boek waarin geneukt wordt. Nee, lees Brodkeys korte verhaal Onschuld maar eens of de bloemlezing Hard en teder van Blondeau en Van den Berghe die van recentere datum is. Vegters poëzie echter, lust er ook wel pap van.

Gordijnerotiek
In Eiland berg gletsjer staan tussen de gedichten erotische tekeningen die gemaakt zijn door Vegter zelf. Wie aan de bundel begint kijkt op matrashoogte tegen de vagina van een met haar benen gespreide vrouw. Je ziet drie piemels op hun balzakken balanceren en een man naar zijn erecte manhood kijken.

Maar pas op: de gedichten zijn geen tekstuele youporn-fragmenten. Evenmin stijgen ze op in gekuiste Hoogliedlyriek. Vegters erotiek - dat heet, de erotiek in haar werk - gaat vaak van schaduwen vergezeld. Het is gordijnerotiek, datgene waarover men niet zo graag opschept maar binnenskamers houdt. In 'Persoonsverwisselingen' wordt bijvoorbeeld de liederlijke vrijheid bezongen die vreemdgaan heet:


Ik liet je ja neuken omdat het bij een nieuwe vriendin
vaardigheden heette. Wat tussen ons veranderde dacht je


en of dat de doorslag van iets zou geven.

Vegters ironie is snijdend en zo ook de woede van de ik-persoon, die overigens (o ironie) erg geestig is opgetekend:

Hoe hervindt mijn basisaap zich:

stamoudste, alphamale, immoreel. Thuis verdelen we in bed
in verhouding twee staat tot één.

Intimiteit
Meer nog dan om erotiek, gaat het om de zucht naar intimiteit en het verlies ervan. Als in het gedicht 'Tramps' afscheid genomen wordt van een ex-geliefde, is de erotiek koud en agressief in haar sarcasme.

Tramps

Je had het over gevoelstemperatuur, onder nul vond je het tussen mijn dijen
in de vertrekhal. Na je tas hebben we elkaar heart to heart omhelsd,

man ik kon je wel pijpen van plezier. Luister je eigenlijk nog.

We maakten stroeve vogels na, een doodsmak ontwierp je op papier
had je wat napret van je verveling. Het werd lastig redenen te vinden op die manier.

Als het glas van je vinger springt zoek je iets tegen breukjes en zout op.
Het tapijt grijnst. Wil nu godverdomme iemand opstaan en me vasthouden.

Opvallend is de afwezigheid van vraagtekens. Er wordt geëist dat iemand opstaat en de ik-persoon vasthoudt, maar de vraag blijft uit - er is niemand om op te staan. Eerder in het gedicht luistert de ex-geliefde ook niet meer; elk vraagteken is overbodig. Dit afscheid is definitief en dat levert, zoals je dat zelf bij veel relatie-eindes kan ervaren, gemengde gevoelens op. 'Tramps' laat dat op treffende wijze zien, dat feest van hernieuwde vrijheid en die verzuurde maag van ledigheid.

Oplevend dood
Wie geilt op goede poëzie, kan maar beter doorlezen: Vegters bundel is compromisloos. Om de regels in de 'titelcyclus' te kunnen lezen moet je de bundel een kwartslag draaien. De cyclus gaat over een stel met kinderen dat een 'diepteoorlog' met elkaar voert (waarin overigens toch een vervoeging van het woord neuken een keer of vijf, al dan niet overdrachtelijk voorkomt), waarin uiteindelijk drie dingen op het spel staan: de liefde (eiland), de toekomst (berg) en de zinnelijkheid (gletsjer): 'Ook als jij 'n laatste atoom van je lichaam schraapt, zou je oplevend dood willen zijn / als laatste hart (eiland), als laatste berg (buik) of gewoon schitterend als kut (gletsjer).'

Een ander gedicht, 'Dochter van', neemt achttien bladzijden in beslag, tweeëntwintig als je de tekeningen die eraan voorafgaan en de titelpagina meerekent. Dit om ademloos te lezen gedicht is een incestueuze pendant van de ark van Noach met een ijzingwekkend bloedheet einde, twee connotaties die elkaar in dit gedicht niet bijten.

Oosterhoff
Erotiek is in Vegters werk maar een van de middelen om tot interessante poëzie te komen, een domper wellicht voor de op sensatie beluste lezers van deze recensie. Haar taal is bedrieglijk alledaags, hoe ze haar woorden kiest, soms vloekt en Engelse frasen opneemt. Interessant is ook haar subtiele ode aan Tonnus Oosterhoff. Net als in zijn bundel Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen (2003) staat in Vegters bundel een met pen bewerkt gedicht - het is in zijn totaliteit doorgekrast.

Vegters poëzie mag in haar taalgebruik wel alledaags zijn, zij ontsluit zich niet zo gauw. Juist dat maakt haar zo interessant en voor verschillende lezingen vatbaar. Ze is zinnelijk, warm, koud en afstandelijk tegelijkertijd. Er zit een hunkering in naar nabijheid, maar niet zonder het tegendeel daarvan invoelbaar te maken. Eiland berg gletsjer vriest en smelt als ijs, is eeuwig en groots als bergen en weet zich eenzaam en omvat als een eiland; een bundel die je niet gauw weglegt.
Gepubliceerd op: 8WEEKLY

zaterdag 1 oktober 2011

Jeroen Mettes - Nagelaten werk


De Mei van onze tijd?

Over de doden niets dan goeds. Maar in hoeverre is de publicatie van deze mondaine, intellectuele hagiografie van Jeroen Mettes' in Nagelaten werk, het 'verboekte' blog Poëzienotities en postuum gepubliceerde prozagedicht in N30+, van toegevoegde waarde?

Mettes, die werkte aan een proefschrift over poëtische ritme, hield van juni 2005 tot september 2007 het spraakmakende weblog Poëzienotities bij. Daarop besprak hij dichters op alfabetische wijze, maar verder dan de G van Goudeseune kwam hij niet. In september 2006 pleegde hij zelfmoord na het plaatsen van een leeg bericht. Samen met het duimdikke prozagedicht in N30+ is het blog geredigeerd in het Nagelaten werk opgenomen onder de noemer Weerstandsbeleid, Nieuwe kritiek.

Nieuwe vs. neo

Poëzienotities was spraakmakend omdat Mettes' intelligente posts onverbloemd kritisch waren. De vanuit een ietwat ouwelijke houding in fris en helder taalgebruik geschreven teksten hebben een duidelijke mening en zijn (literatuurwetenschappelijk) onderbouwd - het is deze weinig voorkomende en genoeglijke combinatie die van de samenstellers de connotatie 'nieuwe kritiek' krijgt. Daarmee krijgt Nagelaten werk ook een pamflettistisch karakter: dit is dé nieuwe uitoefening van literaire kritiek.

Deze 'nieuwe kritiek' onderscheidt zich van de neokritiek . In 1997 gemunt door socioloog Rudi Laermans in De witte raaf, is neokritiek een radicaal subjectieve kritiek die voorbij gaat aan de inhoud en zich richt op 'het ontmaskeren van anderen, en hun spreken en handelen, in termen van persoonlijke belangen, macht, posities ...'.

Anarchistische kritiek

Maar neem de connotatie 'nieuwe kritiek' bij Weerstandsbeleid niet te serieus. Mettes heeft daar geen patent op: ondermeer Ter Braak, Vestdijk en Nijhoff gingen hem voor. Zijn kritiek is even anarchistisch als methodisch te noemen. Anarchisme klinkt met name door in de grote verscheidenheid van onderwerpen. Wordt de ene keer de poëzie van een dichter besproken, dan is het een volgende keer slechts één gedicht of wordt alleen over een flaptekst van een bundel geschreven. Soms gaan de teksten over poëzie, andere keren ligt de nadruk meer op een associatie die uit de poëzie voortkomt.

Bovendien is een goed deel van Weerstandsbeleid, zeker naarmate Mettes' einde nadert, steeds meer gevuld met flarden die niets of maar zijdelings met nieuwe kritiek te maken hebben. Uitstapjes zoals naar Hölderin en Levinas, naar frasen (zoals 'voetbal is kunst' en 'meiden percipiëren lezen als funactiviteit') die hij niet meer wilde horen en zijn top 10 van populaire muziek, ze nemen hand over hand in aantal toe. Als je die uitstapjes als kritiek wilt zien, neigen sommige naar de neokritiek waarvan Mettes zich bij zijn literatuurbesprekingen juist onderscheidt.

N30+

Bezijden de vraag hoe blijvend (data op) internet is, kunt je de vraag stellen in hoeverre de publicatie van het blog van toegevoegde waarde is, gezien het informatieverlies (beeldmateriaal, links, discussies e.d.), temeer Mettes' project nooit gecompleteerd is. Waarom een boek kopen als het in zijn meer interactieve vorm op internet vrijelijk beschikbaar is? Zijn de vijf aan Weerstandsbeleidtoegevoegde academische essays van Mettes daarvoor afdoende? N30+ is echter een geheel andere kwestie.

Naast twee eerder gepubliceerde cycli, beslaat het leeuwendeel een 114 bladzijden tellend prozagedicht N30. Dat is te omschrijven als een dichterlijke variant op Valery's Monsieur Tête. Het balanceert tussen een fragmentarische aaneenschakeling van extatische kretologie, oneliners en platitudes, én raak aaneengeschakelde zinnen met taalvondsten, interessante ideeën en mooie beelden. Min of meer overeenkomstig met zijn beeld van de wereld: een wereld die bestaat zoals je die kent als je over straat loopt, 'wat niet de vorm van een anekdote is, maar een dynamische assemblage', verwoordt hij in een e-mail aan zijn vriend, de dichter/componist Samuel Vriezen.

Assemblage

Mettes wilde ook een episch gedicht schrijven, maar omdat Mettes geen narratief gebruikt maar zinnen assembleerde, is het geëngageerde gedicht daardoor satirisch geworden. Ontstaan in de schaduw van de protesten tegen de Wereldhandelsorganisatie eind 1999, achtte Mettes verandering mogelijk, maar, schrijft hij 'als de grondtoon van dit werk meer wanhopig dan utopisch klinkt, dan komt dat niet per se door de reeks catastrofen die ons sinds 1999 steeds dieper in een rechtse nachtmerrie hebben gestort, - een nachtmerrie waar het werk evengoed rekenschap aflegt - maar omdat mijn hoop vooralsnog leeg blijft'.

De grondtoon is inderdaad weinig utopisch; het geluid van een gepornoficeerde, geweldadige, narcistische, populistische en sterk kapitalistische maatschappij klinkt door in N30. De Golfoorlog, Palestina, en de oorlog tegen het terrorisme, WOII en de jodenvervolging zijn thema's die steeds terugkeren. Een willekeurige passage leest als volgt:



O ironie! Laten we emigreren!
Het leger vuurt traangas af op winkelende Palestijnen. En luid hinniken de hymnen aan de god die jou, lezer, blind en gebonden, in hun armen heeft doen vallen. Wat de nar belooft... Er is een dier-worden van mensen, maar geen mens-worden van dieren. Bewijs: mijn grote tieten. Daar kun je ook heel genuanceerd over doen. Hoewel ik stomdronken ben en moe. Waar lopen we op? De onbereidheid tot sterven is niet alleen symmetrisch met de professionalisering en technocratisering van de oorlogsmachine; ze weerspiegelt de organisatie van een schimmige, transnationale soevereiniteit, die niet langer opofferingsgezindheid eist van haar onderdanen, maar hen in tegendeel verplicht tot leven. Hier (tegenover de zee in de winter) heb ik Herman Gorter gelezen.



De Mei van onze tijd?

N30 heeft in zijn noviteit wel iets weg van de Mei (1889) van deze Gorter, die daarmee de poëzie opnieuw 'uitvond'. Mettes prozagedicht is zo nieuw dat hij er de term 'nieuwe zinnen' aan verbond.  Radicaal nieuw is het echter niet. Enkelen gingen Mettes op andere schaal voor, Pound bracht zinnen uit de wereldliteratuur in zijn Cantos samen en Kees 't Hart - in de Groene Amsterdammer lyrisch over Mettes Nagelaten Werk - deed een al een niet-geëngageerde duit in dit zakje met 'Spiegel' uit Ik weet nu alles weer, al speelt het gedicht zich af op woordniveau, in plaats van op het zinsniveau van Mettes. Of met N30 een nieuwe literatuur gesticht wordt, hangt af van de mate waarin het wordt nagevolgd. De tijd zal het leren.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

dinsdag 27 september 2011

Peter van Lier en Machteld van Buren - Wisseling van de wacht



Een bijzin maakt nog geen poëzie


Fusion is hip, leert deel 134 van de Slibreeks. Dichter Peter van Lier en beeldend kunstenares Machteld van Buren sloegen de handen ineen. Het resultaat is Wisseling van de wacht, een bundel met het uiterlijk van een schoolschriftje.

De Slibreeks wordt al sinds 1977 vier maal per jaar door Centrum Beeldende Kunst Zeeland uitgegeven. Het doel is een laagdrempelige kennismaking met uiteenlopende literatuur en de uitgaven zijn vaak bijzonder mooi geïllustreerd. Publicaties van illustere auteurs als J. Bernlef, Astrid Lampe en A.L. Söteman gingen vooraf aan Van Liers & Van Burens verbeelding van het veranderende Zeeuwse(?) kustlandschap.

Beschrijvingen en collages
Van Liers poëzie munt uit in haar beeldende beschrijvingen van plaatsen en situaties. Vooral de natuur komt veel in zijn gedichten voor. Voor wie met zijn oeuvre bekend is, is dat dat niet nieuw; het speelt ook een bovenrol in het bij wijlen erg geestige Zes wenken voor muggen aan de deur dat in 2007 bij Van Oorschot verscheen. Honden; kustlijnen; een zeearm, je komt ze voortdurend tegen in Wisseling van de wacht. De menselijke invloed op de natuur laat zich eveneens gelden: kaalslag en nieuwbouw, de worstjes van een nieuwe bewoner, het loodswezen en vissers. De verdichte thema's worden op de voet gevolgd door Van Burens collages die uit beeld en verschillende soorten papier bestaan: robben, de zee, een dame die op een ladder de zee uit klimt, Borsele(?).

Sommige gedichten zijn echter eerder conceptueel dan beeldend en springen daarmee uit de toon. Zie bijvoorbeeld het onderstaande gedicht:

Ook
een bunker in je
                                    achtertuin?
Dat
                                                een zeearm
                                                                        het
                                                                        land in
                                                                                   trekt


Om eens flink
te treiteren?

                        Treft niemand persoonlijk.

Primair is de laatste regel een imperatief, maar het kan ook gelezen worden als een direct commentaar op de in het gedicht gestelde vragen: [het] treft niemand persoonlijk. Die dubbelheid ontstaat vooral doordat de regel afsluit met een punt in plaats van een uitroepteken. Hoewel ambiguïteit poëzie erg interessant kan maken en voor verschillende lezingen vatbaar, komt uitsmijter nu geforceerd over. De regel lijkt conceptueel en maakt 'Ook' niet zo gaaf als de andere gedichten.

Bijzinnen
Wat opvalt aan Van Liers gedichten is het regelmatig terugkeren van bijzinnen. Dat dit niet altijd even goed werkt, is te illustreren met de tweede zin van het gedicht 'Nooit' dat tegen een industriële collage is afgedrukt: 

Nooit
met de pretenties van een
diva
glijdt een kustvaarder
                                       voorbij,
                                                             maar



                                                                    vergis je
                                                                    niet. In


wat uiterlijkheid kan doen is – gelukkig –
het

lokale zeewezen onder het mom van goedlachs
aan de kade de hele dag

op ramkoers.

Die neiging om bijzinnen te gebruiken, maakt sommige gedichten nodeloos vaag. Die vaagheid komt de lage drempel van de Slibreeks niet ten goede. In Wisseling van de wacht zoek je naar  meer helderheid.

Toch een kleinood?
Deze rust wordt gelukkig enigszins in de bundel gebracht door de mooie vormgeving en de thematische samenhang. En hoewel je vraagtekens kunt plaatsen bij de soms puur visueel te motiveren zetting van de woorden over de bladspiegel, sluiten beeld en tekst op vrolijke en associatieve manier op elkaar aan. Het maakt Wisseling van de wacht uiteindelijk toch een kleinood.

Gepubliceerd op www.8WEEKLY.nl

dinsdag 9 augustus 2011

Umgezetst worden werden worden werden



Also, es ist geschied. Da sind ja einige von meine Gedichte umgezetst werden worden! Wel. Gelukkig niet door mijzelf maar door de getalenteerde Peter Mioch. Die Gedichten finden sie hier!

maandag 8 augustus 2011

7even7


7even7 is een expositie van 7even7 teams van kunstenaars (een team bestaat uit een beeldend kunstenaar en een dichter), die aan de slag 7ijn gegaan met hun interpretatie van het getal 7even7.  Frida Stad en ik hebben een ook een bijdrage geleverd. In ons geval is dat een installatie geworden rondom en over de zeven levensfasen.


De opening is op 7ondag 4 september 2011, om 14 uur. De expositie loopt van 4 t/m 28 september 2011 en vindt plaats in het FORUM-gebouw van de WUR (Wageningen Universiteit en Research), op de Campus (Droevendaalsesteeg 2, Wageningen). Meer informatie op http://www.7even7.webs.com.

Het Forum-gebouw is elke dag van de week open (ook op 7ondag) van 10-17 uur.