Posts tonen met het label Renaat Ramon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Renaat Ramon. Alle posts tonen

woensdag 24 augustus 2011

Arnoud Rigter - Het duimzuigend fossiel

Ein kleines Gesamtkunstwerk, of: de geboorte van een (sub)genre


De grenzen van wat poëzie vermag, worden steeds meer opgerekt. Dat blijkt uit een fascinerend werk als Het duimzuigend fossiel van Arnoud Rigter (1978). Het is zo uniek dat we er bijna nieuw genre voor moeten bedenken.

Bijna dan, want anders dan zijn eerdere dichtbundels, plaatst de voormalige stadsdichter van Eindhoven zich met zijn vierde bundel Het duimzuigend fossiel onder het kopje van de figuratieve poëzie. Dit is een dichtvorm waarbij een grote nadruk ligt op de visuele (re)presentatie van een gedicht en binnen de figuratieve poëzie is deze bundel op het eerste oog te plaatsen onder het subgenre van de graphic poem. De graphic poem of stripgedicht is een pendant van de graphic novel, in Nederland vooral bekend van Dick Matena's verstrippingen van Elsschot, Reve en Wolkers.

Figuratieve poëzie
De graphic poem onderscheidt zich binnen de figuratieve poëzie van concrete en van visuele poëzie. Bij concrete poëzie gaat het om de beeldende kwaliteit van letters. Feesten van Angst en Pijn van Paul van Ostaijen is daar een goed voorbeeld van en maar ook de laatste bundel van Ruben van Gogh, Klein Oera Linda (2008). Bij visuele poëzie worden naast of buiten lettertekens, ook andere tekens gebruikt. Dat laat bijvoorbeeld Renaat Ramon zien in Zichtbare stem (2009): in het gedicht 'Poete maudit' speelt hij een ironisch spel met uniciteit: het toont een bolhoed boven twee langgerekte kapitale letters 'N' (de Vlaamse abbreviatie van 'Nationaal Nummer' – pendant van het Nederlandse burgerservicenummer). Bij een stripgedicht vormt beeld de context van een tekst, al verschilt Het duimzuigend fossiel hierin 'enigszins' van het Nederlandstalige stripgedicht.

Wat is zo kenmerkend aan die stripgedichten? Ten eerste is een stripgedicht meestal het product van twee kunstenaars, de dichter en de striptekenaar. Voor zover mij bekend, is Lies van Gasse's Sylvia (2010) de enige bundel die bij een erkende literaire uitgeverij is uitgekomen waarin dichter en tekenaar dezelfde persoon zijn. Wanneer tekenaar en dichter verschillende personen zijn, zijn de afbeeldingen al gauw plaatjes bij een praatje. De striptekenaar geeft een creatieve draai aan de interpretatie van het gedicht en laat daar zijn technisch kunnen op los. Ten slotte bezitten vrijwel alle verstrippingen van gedichten een narratief.

One of it's kind
In tegenstelling tot de meeste stripgedichten, schreef en tekende Arnoud Rigter zijn bundel zelf. Anders dan in Sylvia en andere verstripte poëzie, zijn tekst en beeld in de dertien stripgedichten vrijwel onscheidbaar. De tekst maakt deel uit van het beeld en het beeld lijkt soms tekstuele aspecten te bezitten. In zijn vorige drie bundels speelt beeld een meer illustratieve rol. Hoewel Rigter de stripgedichten 'gedichtachtigen' noemt, lijkt het mij door de hechte vermenging van beeld en tekst bij gebrek aan een betere aanduiding handiger om zijn werk met de term 'beeldgedichten' te benaderen. Beeld en tekst lijken hier en daar in andere bladzijden door te schemeren, alsof de bundel is gemaakt met transparant papier. Rigter paste dit 'doorschemereffect' ook al toe bij zijn debuut Gruzelemensen (2005) en het geeft het effect van een filmboekje waarbij je, door de bladzijden door je vingers te laten schieten, de illusie van beweging creëert. Een duidelijk narratief ontbreekt in Het duimzuigend fossiel echter.

Rigters barokke, soms karikaturale tekenstijl roept uiteenlopende associaties op. Het doet denken aan tatoeagekunst, strips als Elfquest, maar ook aan tekeningen van de surrealiste Unica Zürn. Vrijwel elk beeldgedicht kent een wildgroei van lijnen, vlakken en vormen. Maar door de vele rechte lijnen en de dieptewerking ontstaat rust. Doordat zich dingen op de voor én achtergrond afspelen, krijgen de tekeningen bovendien een gelaagdheid die intrigeert. Door een eenvoudiger getekend beeldgedicht middenin de bundel – deels bestaande uit steeds verder uitgevlakte ruggengraat – wordt een zeker evenwicht in Het duimzuigend fossiel gebracht.

De gebruikte letters zijn in verschillende dikte, grootte en typen getekend. Bovendien is de verspreiding van de tekst over de bladspiegel ruimtelijk: tekst komt overal op de bladzijde voor en meer dan eens is een horizontale lezing onmogelijk doordat de tekst diagonaal loopt of krommingen maakt.
Uit de tekenstijl blijkt een grote affiniteit met technisch tekenen, wat niet vreemd is: Rigter studeerde af als architect. Menselijke vormen doen daarentegen gekunsteld of zelfs kinderlijk aan, maar door het precisiebombardement van visuele en tekstuele impressies die tot speels interpreteren aanzetten, stoort dit 
niet. 

Fris als goede sashimi
Tekstueel–inhoudelijk is Het duimzuigend fossiel overwegend surrealistisch te noemen. Dat komt door markante associaties en woordcombinaties als: 'men neme een lichtsmeuïge crashtestdummy' en 'ideosyncratisch gegulp' zijn fris als als goede sashimi. Met de oneliners als 'mijn tranen hebben tenminste elkaar nog', die al eerder op een zakdoek opdook in de bloemlezing Zieteratuur, Concrete en visuele poëzie uit Nederland en Vlaanderen (2010) en 'mama's eisprong is mijn privé-oerknal' is het goed dwepen. Een dikke zweem smart of empathie moet de onderstaande passage uit 'De man met de schedel op zijn hoofd' toch wel opwekken:


Hij verdiept zich in blauwhelmen en roodkapjes
en vindt zodoende de ambiance uit

(van zulke cultivering zal zijn maag gaan knorren)

hij klemt zijn grillen in maatpak
strijkt zijn hartstreek vlak

knoopt zich in toom
Home Sweet Home

zwijgt zijn gebit
terug in 't gelid

en steekt zijn kop
in de muil van
zijn hoed


Het duimzuigend fossiel komt met een begeleidende CD, waarvan de nummers corresponderen met de beeldgedichten van de bundel. Tot musicaal-literair Gesamtkunstwerk komt het echter niet. Want hoewel de nummers door hun grillige karakter van zowel de CD met de bundel overeenstemmen, leidt de muziek door haar theatraliteit en korte duur teveel van het lezen af. (Een aantal van de nummers zijn hier te beluisteren.)

De eerste pink
Tekst en beeld vormen in Het duimzuigend fossiel echter wel een hecht geheel. Dit illustreert het beeldgedicht 'De eerste pink' Het beslaat vier bladzijden. Uit de afsluiting van dit beeldgedicht, blijkt dat het handelt over het gevoel dat je opvoeders of ouders over je schouders meekijken:

(je kunt iemand
dusdanig opvoeden
dat die er een onzichtbare hand
op de schouder
aan overhoudt)

De woorden 'dusdanig opvoeden' staan overigens verticaal en verbinden omringende zinsdelen. De zin is geplaatst in een geschetst bovenaanzicht van een stad. De zin vindt als het ware zijn weg door de stad en wordt daarbij van boven (door de opvoeders) gade geslagen. Dat de zin tussen parenthesen geplaatst is, kan om beeldende redenen zijn: de zin is evenmin onzichtbaar als de 'onzichtbare hand op de schouder'.

Op de eerste bladzijde staat onder de in kapitalen geschreven titel een banier afgebeeld. Daarop staat een complex geheel van blokkige en organische vormen. Een tweetal gezichten zijn daarop duidelijk te onderscheiden. Het complexe geheel doet door zijn structurering aan als een torso of wellicht als de geabstraheerde vorm van een baby. Waarom een torso op een banier? Misschien wel omdat kinderen vaak door hun ouders als wapenfeit worden gezien, iets dat ze met enige trots in de strijd der overleving met zich meedragen. Aan dit meedragen komt nooit een eind, de meeste ouders blijven hierin gulzig, iets wat kan worden geïnterpreteerd door de haast doorschijnende tekst rondom de banier die deels bestaat uit het gedicht 'De uitvinder van de honger', dat overigens pas een stuk verderop in de bundel staat. Naast het banier valt eveneens een onder elkaar geschreven herhaling van de woorden 'GIJ ZULT' op, wat een doordruk lijkt van het gedicht 'Oefening in empathie' dat op 'De eerste pink' volgt. Ook uit deze woorden klinkt de 'onzichtbare hand' door: als dwingende, moraliserende instantie die op de achtergrond je handelen bepaalt.

Op de derde bladzijde, onder de restvorm van het torso – het banier is inmiddels verdwenen, net als de doorschijnende tekst uit 'De uitvinder van de honger' – staat als een omgekeerd vraagteken in blokvormige letters 'DE ONGESMOLTEN BROKKEN'. De woorden komen als het ware voort uit de brokkige vormen van het torso. Misschien is de interpretatie te sentimenteel, maar vanwege de associatie met 'een brok in je keel hebben' zou het hier kunnen gaan om onverwerkte emotie. Associaties met 'met de brokken zitten' (met een mislukte zaak zitten), 'een brok ellende' en 'iemand de brokken uit de mond kijken' kunnen ook van toepassing zijn.

Rondom dit omgekeerde vraagteken staat in een halve cirkel een hartfilmpje dat allengs verandert in een herhaling van de woorden 'uitdeuk hartklop' (die metrisch als het ritme van het hart klinkt) en eindigt bij een stethoscoop, waarvan de oortjes naar een schim op de achtergrond lopen. Op de achtergrond gaat deze kom- of deukvormige verandering vergezeld met hamers die het kloppen of uitdeuken verbeelden. De 'uitdeuk hartklop' kan op emotie duiden die het hart sterk doet bonzen – maar niet zonder dat de ouder hiervan op de hoogte is: hij is de schim op de achtergrond. De hamers kunnen ook duiden op het willen vermorzelen van de ongesmolten brokken. Als dat laatste spoor gevolgd wordt, is woede in het spel, terwijl wellicht om liefde gevraagd wordt: om smelten.

Een coherent geheel
Deze korte interpretatie laat zien dat tekst en beeld een hecht geheel vormen. De wijze waarop de geciteerde, tussen parenthesen geplaatste zin in het beeld is geplaatst, illustreert bovendien 'de sprekende kracht' of iconiciteit die Rigters beeld bezit: het toont het gevoel gade geslagen te worden. Relaties tot anderen, zoals een kind tot zijn opvoeders, kan als thema van Het duimzuigend fossiel worden gezien. Zo zijn komt een man/vrouw relatie aan bod, erotiek en de relatie tussen de individuele of lichamelijke waarneming en de sociale omgeving. Al in het eerste gedicht 'De dolende', dat als een motto gelezen kan worden, blijkt dat het in deze bundel om een dolende mens gaat, los van zijn oorsprong of wortels, die minder afgescheiden is van anderen dan hij denkt.

Een nieuw sub-genre?
Rigter beschouwt zich met zijn laatste uitgave nog steeds 'pre-debutaal'. Wat Rigter tot debuteren rekent, blijft ongewis. Zou de dichter zijn werk niet au sérieux nemen? We hebben te maken met iets zeer bijzonders: doordat beeld en tekst van tweeën een zijn, ontsnapt het aan de noemer 'stripgedicht'. Binnen de Nederlandstalige figuratieve poëzie, is het als een nieuw sub-genre aan te wijzen. Noem het met enige bravoure ein kleines Gesamtkunstwerk. Wie de bundel als een labyrintisch totaalproduct leest, daarbij niet schroomt om hem zo nu en dan ondersteboven te houden en het interpretatieve spel durft aan te gaan, zal er veel plezier aan beleven.


(Een compacte recensie van Het duimzuigend fossiel vind je op www.8weekly.nl)

donderdag 13 mei 2010

Viervoudige recensie van figuratieve poëzie

DE LENIGHEID VAN POËZIE

Figuratieve poëzie is in Nederland maar enkele keren gebloemleesd en de mate waarin het in de algemeen bekende bloemlezingen voorkomt is uiterst gering. In de Dikke Komrij staan maar vier concrete gedichten (figuratieve poëzie bestaande uit letters), van visuele poëzie (figuratieve poëzie waarin ook andere tekens zijn opgenomen dan de talige) ontbreekt ieder spoor. Onder auspiciën van Karel ten Haaf wil Zieteratuur (2010) een aanvulling zijn op Komrij's Dikke. NaastZieteratuur worden in deze recensie drie bundels met figuratieve poëzie besproken: Visuele stem (2009) van Renaat Ramon, Schrap me (2010) van Dimitri Antonissen en Sylvia (2010) van Lies van Gasse. Is er sprake van een opleving van figuratieve poëzie?

Het is al weer meer dan dertig jaar geleden dat over visuele en concrete poëzie een bloemlezing verscheen, Visuele poëzie (1977) van Erik Slagter, als je die in het proefschrift De letter te lijf (2005) van Humphrey Ottenhof niet meerekent.

Mooi maar met manco
Geweldig toch, zo'n bloemlezing met figuratieve poëzie? Belangrijk! Zieteratuur is daarbij met zorg vormgegeven en bevat wel 147 visuele/concrete gedichten. Maar ondanks de rijke diversiteit aan figuratieve poëzie, heeft de bloemlezing helaas een belangrijk manco: zij is inconsequent.
Die inconsequentie blijkt al uit de inleiding van Zieteratuur. De bloemlezing wil een aanvulling zijn op Komrij's Nederlandse poëzie van de 19de t/m 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten (2004). Ten Haaf hanteert echter een geheel eigen methodiek. Waar Komrij dichters vanwege hun literair belang meer of minder gedichten in zijn bloemlezing toekent, doet Ten Haaf dat op basis van de figuratieve diversiteit in hun werk. Bovendien biedt Ten Haaf meer ruimte aan hedendaagse dichters – wat Komrij eveneens vreemd is. Tot slot is er een operationeel probleem: 'concrete poëzie', stelt Ten Haaf naar Ottenhof, 'bestaat volledig uit letters'. Het (sub)genre is enorm lastig te definiëren, maar met deze definitie kan concrete poëzie alle tekst betreffen (Marsmans 'Denkend aan Holland' bijvoorbeeld).

Herhaling, seks
Verder valt op dat aardig wat teksten zijn opgenomen waarin een letter of woord wordt herhaald, met één betekenisvolle afwijkende letter of afwijkend woord. Ook komt de lezer een heel aantal naakte vrouwen en een paar ongeklede mannen tegen. Meestal zijn dat in visuele gedichten verwerkte foto's, maar ook is dit terug te zien in concrete poëzie. 'remembering gina' bijvoorbeeld, bestaat uit een silhouet van een vrouw dat samengesteld is uit een vrijwel eindeloze herhaling van het woord 'gina'. De plek waar haar vagina zit, is voor de verduidelijking met een 'n' en een 'v' nog eens extra aangezet, alsof het de lezer bij de hand wil nemen en wil wijzen: 'kijk, hier bij de lendenen!'.

Moet hieruit worden afgeleid dat de visuele of concrete dichters een preoccupatie met het seksuele hebben? In de bloemlezingen van Slagter en in Ottenhof is van erotiek echter amper sprake. Geldt dit dan vooral voor Ten Haaf, die onze blik in zijn samenstelling stuurt? Wellicht is het uit eigen werk opgenomen 'illustratiever' tekenend. Onder de illustere koptekst van dat visuele gedicht 'Hoe zij haar benen elk over een leuning van de stoel en ik fraai uitzicht' staan twee foto's. Op de bovenste masturbeert een belegen vrouw, gezeten op een tuinstoel voor een dito tafel tegen een pui met plantenbakken vol geraniums. Op de onderste foto lijkt zij klaar te komen.

Poëzie is niet alles
Ten Haaf stelt in zijn inleiding dat alles poëzie kan zijn. Onzin, de fletse vluchtigheid van porno maakt nog geen poëzie, ook al valt het soms een zekere poëtische kwaliteit toe te kennen. Maar weinig dat poëtische kwaliteit heeft, is poëzie te noemen. De term 'poëzie' wordt ook buiten Zieteratuur te pas en vooral te onpas gebruikt. Een sterk voorbeeld is een artikel in NRC Handelsblad van 27/28 maart. Daarin kopt Pieter van Os 'De poëzie van het programma', waarmee hij op de vaagheid (lees retoriek) van partijprogramma's doelt. Poëzie is niet alleen een kwaliteit, idee of een gevoel. Dat is te populistisch, bij (goede) poëzie speelt ook de toepassing van beelden en stijl een rol.

In Zieteratuur zijn gelukkig voldoende belangwekkende visuele/concrete gedichten opgenomen die aanzetten tot een verdere exploratie van deze vormen van poëzie, al mis ik de visuele poëzie van K. Schippers en ontgaat mij het figuratieve karakter van Ingmar Heytzes dichterlijke grap 'Prijsvraag voor dichters'. Dat daargelaten intrigeren ondermeer de visueel complexe, multimediale werken van Helen White. Ook is het stiftgedicht van Dennis Gaens interessant, een poëzie die we ook terugzien bij Dimitri Antonissen, wiens recente debuut verderop wordt besproken. Ten slotte springt de concrete poëzie van de Vlaamse dichter en beeldend kunstenaar Renaat Ramon in het oog, wie in 2009 met Zichtbare stemuitkwam.

Renaat Ramon
Zichtbare stem bevat een aantal interessante concrete en visuele gedichten, die veelal conceptueel van aard zijn. Zo is in 'Aubade lettriste' notenpapier te zien waarbij de noten letters bevatten, in plaats van de bolletjes en oogjes die doorgaans aan de stelen zitten. In 'Poete Maudite' zie je een bolhoed met daaronder twee naast elkaar geplaatste, langgerekte letters 'n', waarmee hij wellicht een ironisch spel speelt met de samengang van het individualistische (dat van de 'verdoemde dichter') en het onpersoonlijke (het Belgische 'nn', het nationaal nummer waaronder iedere ingezetene in het rijksregister bekend staat).
Renaat Ramon
Renaat Ramon


Ondanks dat Zichtbare stem alleen figuratieve poëzie bevat, is er sprake van intertekstualiteit. Ramon verbindt zijn bundel aan de dichterlijke traditie. Zo is een 'Hommage a Mallarme' opgenomen, opgebouwd uit een zestal kubussen en verwijst 'voient-elles Rimbaud?' naar het Rimbauds gedicht 'Voyelles'. Beide dichters zochten naar een eigen taal: Rimbaud zocht de dingen te zien nog voor de woorden zich aanzegden; Mallarmé beoogde een taalspel dat zijn eigen werkelijkheid oproept.

Mogelijk toont Ramon in zijn verwijzingen zijn poëtica. Het zou hem kunnen gaan om een door woorden onbevlekte poëzie, die alleen zichzelf nodig heeft om zich te manifesteren. Van alle talen is de meest algemene die van de beeldtaal; een beeld 'zegt meer dan duizend woorden', heet het. Een waarheid als een koe, alhoewel dit cliché onverlet laat wat een beeld zoal mag zeggen. Renaat Ramon heeft in elk geval een interessante beeldtaal geschapen waarin veel doordenkers, associaties en beweging zijn vervat, het maakt de bundel een interessante lees- en kijkervaring.

Dimitri Antonissen
Schrap me, stiftgedichten van Dimitri Antonissen is een interessante bundel concrete poëzie. Rondom uitgespaarde woorden en letters, zie je zwartgestifte stukken krant. Uit de inhoudsopgave blijkt dat Antonissen onder meer gebruik heeft gemaakt van contactadvertenties en lifestyle-artikelen. In het gestifte vlak staan de uitgespaarde letters en woorden die het gedicht vormen. De haperende lezing die de op deze wijze gepresenteerde tekst oplevert, geeft het gevoel alsof je, aan de losse leiband van de auteur, het gedicht zelf aan het samenstellen bent.
Door de versnipperde 'terugvinding' van de leestekens, zou je kunnen stellen dat de leesrichting wordt bevrijdt. Je kunt bij wijze van spreken van rechtsonder naar links boven lezen of op een elliptische manier. In deze enigszins vertragende, creatieve vorm van lezen, intervenieert Antonissen soms. Hij gebruikt zo nu en dan pijlen die de leesrichting sturen, wat de speelse lezing wat verstoort, maar tegelijk als ongebruikelijk element in poëzie wel weer verfrissend werkt. Schrap me is geestig en prikkelt de geest.

Lies van Gasse
Iets heel anders dan de in Zieteratuur en de hierboven besproken bundels is Sylvia, de graphic poem van Lies van Gasse. Het is verstripte poëzie, al houdt het niet het keurige midden tussen strip en poëzie zoals de door Uitgeverij Atlas uitgeven verbeelde gedichten van Hugo, Baudelaire en Slauerhoff dat doen. Tekst en beeld vloeien bij Van Gasse meer in elkaar over.

Een van de redenen waarom Sylvia zich onderscheidt van de hierboven besproken bundels, is het narratieve gehalte van haar poëzie. Het gaat over een breuk in een relatie en het wederzijdse gemis van de partners. 'Hij' gaat op reis met een kind dat uit zijn hoofd geboren wordt en als tegenstem fungeert, 'zij' blijft achter en bedenkt 'bergen en een bos / om 's nachts in te gaan / wandelen'. De schetsmatige, met zwarte inkt of wit krijt gemaakte tekeningen gaan soms in dialoog met de tekst, soms werken ze eerder verstillend. Een enkele keer wens je dat die verstilling aan blijft houden en komt de tekst te vroeg, zoals in het laatste deel van de bundel. Daar wordt in beelden een ontmoeting tussen de twee protagonisten gesuggereerd die door de tekst geëxpliciteerd wordt. 
Sterker was het wellicht als het bij die suggestie was gebleven.

Een opleving van figuratieve poëzie
Is in de poëzie sprake van een opleving van figuratieve poëzie? Nee, het wordt in de poëzie nog (steeds) te weinig beoefend. Vorm in het vrije vers is bovendien al sinds het prille begin van groot belang geweest, daarvoor conformeerde men zich aan klassieke versvormen als het sonnet. Moderne dichters probeerden de inhoud van het vers met de vorm te laten samenvallen, om zo een werkelijkheid op te roepen of te maken. Je hoeft maar aan Van Ostaijen, Leopold en Kouwenaar te denken om dat te begrijpen.

Het is daarom voorlopig nog een illusie om te denken dat er daarvoor sprake is van een hernieuwde aandacht. Een aanwinst voor de poëzie is de hedendaagse figuratieve poëzie wel, het toont de vitaliteit en lenigheid van poëzie, omdat zij zich weet los te zingen van de vertrouwde poëticale vormen en de discussie aanzwengeld over de wat dat vreemde fenomeen dat we poëzie noemen in hemelsnaam toch is.

Zieteratuur
Karel ten Haaf (red.)
Uitgeverij: Passage
€ 22,50
ISBN 97890 5452 212 6

Zichtbare stem
Renaat Ramon
Uitgeverij: PoëzieCentrum
€ 22,95
ISBN: 978 90 5655 303 3


Schrap me, Stiftgedichten
Dimitri Antonissen
Uitgeverij: Literair Productiehuis Wintertuin
€ 17,50
ISBN: 978 90 79571 06 2


Sylvie
Lies van Gasse
Uitgeverij de Wereldbibliotheek
€ 17,50
ISBN: 978 90 284 2322 0

Gepubliceerd op 8WEEKLY