Posts tonen met het label Gerrit Kouwenaar. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gerrit Kouwenaar. Alle posts tonen

zondag 17 februari 2013

Henk Ester - Bijgeluiden

Over de bomen lopen van de wind

Henk Ester is met Bijgeluiden een debutant met heerlijk helder taalgebruik en afgemeten teksten. Een denker met een licht romantische inborst.

Een ruime helft van de gedichten in deze bundel is prozaïsch en essayistisch, wat de poëzie een sterk Borgesiaanse inslag geeft. Maar hoewel Ester net als Borges als een denkende dichter kan worden getypeerd, is zijn werk van minder mythische aard.


Het over de bomen lopen van wind
Onderwerpen die Ester in zijn bundel voorbij laat komen zijn eerder cultureel-historisch of poëticaal, of gaan over het tegenwoordig weinig bedichte thema van de muziek – de Poëzieweek van 2013 daargelaten. De soms bezielde beschrijvingen van de natuur roepen zo nu en dan associaties op met de 'bezielde' natuurlyriek van Chr.J. van Geel, zoals in met name de laatste strofe van het onderstaande gedicht.

Stoomorgel

Bijgeluiden
niet gebundeld, ongeletterd
spreken weinig mensen
zeker geen bomen
verwaaien, sterven weg

van exploderende stoomorgels
is zelfs geen ruis gesignaleerd
en van een racevlieg op de hei
heeft niemand iets gehoord

maar

als niemand de ernst langs
lijnen landgewei of hoort
de eik in stemgeluid

als niemand afstand neemt of
hoogte houdt om de luister van
een hei te leren

Dichterlijkere gedichten
De tweede helft van de bundel is 'dichterlijker'. Die gedichten zijn compacter en hermetischer. Sommige daarvan raken helaas wel sterk aan wat doorgaans doorgaat voor poëzie, zoals een gedicht dat bestaat uit reeksen allitererende woorden of één waarin elke strofe begint met een bepaalde frase of woord. Zoals in het gedicht 'Kijken', waarin driemaal het woord 'opkijken' de terzetten aanvoert. Waren deze meer voorspelbare 'rituele' gedichten weggelaten, dan had Bijgeluiden een evengoed stevig, maar imponerender debuut opgeleverd.



Het boeiende aan Bijgeluiden zit mede in de urgentie van deze bundel. Je kunt hem lezen als een pleidooi voor een pas op de plaats, voor het gebruik van je zintuigen en het in je opnemen van de zinnelijke wereld. Het gaat Ester om wat zich buiten onze preoccupaties bevindt: daar ervaar je het gevoel van levend-zijn. Hiermee toont zich een verwantschap met Sybren Polet (genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2013)Met hem heeft Ester overigens ook de omarming van een wetenschappelijke dictie gemeen, al gebruikt Ester die maar zo nu en dan. En ook bij Polet is de natuur een plek waar je het bloed weer door je aderen kunt voelen stromen.


Hoop
De natuur zet Ester naast stedelijke en mechanische werelden. Zo komt zijn thuisbasis Utrecht naar voren uit zijn notoir stinkende kelders en het gesneuvelde middenschip van de Domkerk. Of de gemechaniseerde Maasvlakte: 'Dit is niet gemaakt om gehoord te worden / als lopend godsbewijs'. Net als natuur is ook de cultuur is iets wat zich bezijden onze beslommeringen bevindt, en de dreiging van culturele teloorgang laat Ester evenmin koud:

       Maar wat nu als het kunstmatig brein het denken heeft 
gemarginaliseerd, de Afrikaanse olifant is uitgeroeid,
welluidende melodieën de dissonanten hebben weggevaagd?
Kortom, als er geen redden meer aan is. 
Wie vertelt dan hoe de Romeinen reageerden op de glimlach 
van een saxofonist.
Ester schrijft niet zonder ironie: de sax is van latere tijd. Wellicht tekent deze zin de onwetendheid van latere amper cultureel onderlegde generaties.

Wie leest
over vijfhonderd jaar Lamento van Campert
totaal witte kamer van Kouwenaar,
Yann Andréa Steiner van Marguerite Duras?

De paradox wil overigens dat in maar weinig gedichten in Bijgeluiden niet gerefereerd wordt aan kunstenaars en/of hun werken: daarmee doet Ester niets anders dan die kunst en kunstenaars levend houden. Juist dankzij Esters lamentatie is er hoop.

Gepubliceerd op 8WEEKLY. 

maandag 16 mei 2011

Wiljan van den Akker - Hersenpap

GEEN GEVAAR VOOR HERSENPAP

Hersenpap is de tweede dichtbundel van C. Buddingh'-winnaar Wiljan van den Akker. De bundel is melodieuzer dan zijn voorganger. Je kunt hem in een ruk uitlezen, maar pas op: er staat niet wat er staat.


'Hersenpap' kun je overal krijgen. Stel je heet Wiljan van den Akker en je ziet een oranje zonnewering. Na 'een vuistdikke knoop in de maagstreek', volgt volgens het titelgedicht dan 'een golvend geklots in het oor' en 'een huilerige leegloop / van drassige klonten zompige hersenpap'. Hersenpap is een spontaan gevoel van walging van iets dat de meeste mensen koud laat en waarbij het ook niet duidelijk is waardoor die walging precies wordt opgeroepen. Je moet er niet aan denken.

Intrigerend taalgebruik
Gelukkig is de kans dat de bundel het fenomeen hersenpap opwekt erg klein. Sterker nog, de gedichten zijn melodieus en zijn in ongekunsteld Nederlands geschreven. Hersenpap is een bijzondere bundel in die zin dat hij zich gemakkelijk voor twee soorten lezingen openstelt. Allereerst zijn de gedichten te lezen als anekdotes. Ze gaan bijvoorbeeld over hoe het is om een kind te hebben dat zich steeds zelfstandiger door het huis is gaan bewegen of over het rollen van een grote sneeuwbal en de consequenties daarvan.

Naast deze lezing kan zich een talige lezing aan je opdringen, bijna als een hond die met je wil spelen. Daarmee stuit je bijvoorbeeld op een ogenschijnlijk achteloze toepassing van kleine paradoxen en oxymorons (een stijlvorm waarbij elkaar uitsluitende begrippen worden gecombineerd) waardoor er een veelvoud aan nieuwe interpretaties mogelijk wordt. In 'Zo gaat het' is daar sprake van. 'Je weet het maar al te goed: zo gaat het nu altijd' opent het. De woorden 'nu' en 'altijd' sluiten elkaar uit, en dit is nog maar een van de vele oxymorons in zijn poëzie.

Zo gaat het

Je weet het maar al te goed: zo is het nu altijd.
Uitsluitend en alleen nu.
Op een dag valt het stil en gaat het ergens liggen.
Even kan het zich nooit meer verroeren
voordat het opnieuw in beweging moet komen.
Het is herfst. Het verkleurt. Misschien
is het voedzaam voor schimmels of algen.
Misschien is het winter en koud
blijft het herkenbaar bewaard in zijn vorm
tot het dooit op een keer in een lente.
Of misschien is het zomer en vochtig en warm
zwelt het borrelend op tot het knapt
als pap uit elkaar stroomt en weg loopt.
Daarna zal het vast verdampen, indrogen.
Dan kan het zich laten verspreiden door regens
of door een wind voorbij laten blazen.
Zo gaat het. Zo gaat het verdomme nou altijd.

Nu altijd
Dat 'nu' uit de eerste regel kan worden opgevat als een versterkende voorbepaling, waarvan ook in de laatste zin sprake is. Als het een versterkende voorbepaling is, is de hele regel paradoxaal: als iets altijd zo is, hoe kun je dan 'iets maar al te goed' weten? Voor kennis is immers onderscheid nodig en dus een veranderde situatie. Evengoed kan de regel ook om 'het nu' draaien. Dit 'nu' bestaat inderdaad altijd, want het verleden en de toekomst bestaan alleen in ons hoofd.

De nadruk kan ten slotte ook liggen op het woord 'het' dat voor 'nu' komt. Dan gaat het om het ding of concept waar dit lidwoord naar verwijst. In dit gedicht verandert het voortdurend: het valt stil, dooit, borrelt, stroomt en verdampt. Dit 'het' is water. Maar evengoed blijft het gedicht in zijn totaliteit over 'het nu' gaan, over iets dat 'altijd' is.

Kouwenaar
De combinatie van anekdotiek – een verteller die iets zegt over water en 'het nu' – en taalspel in 'Zo gaat het' is exemplarisch voor de overwegend sterke gedichten in Hersenpap. Door de ruime aanwezigheid van paradoxen en oxymorons doet de bundel onwillekeurig denken aan de poëzie van Kouwenaar, waar de Neerlandicus Van den Akker veel pap van moet hebben gegeten. Ook in Van den Akkers poëzie dringt de taal zich aan je op als taal. Doordat in Hersenpap overal sprake lijkt te zijn van een verteller en doordat hij meer anekdotiek en humor bevat, verschilt de bundel van het werk van de grote meester.

De reeks 'Kunst en vliegwerk' is daar een aardig voorbeeld van. Het gaat over het mens-zijn en de beperkingen daarvan. In het derde gedicht uit die reeks 'voelt [iemand] zich goed beroerd / door de goden' en neemt met zijn armen zwaaiend vanaf grote hoogte een sierlijke duik. Even zweeft hij, om zich daarop 'bij nader inzien grondig te pletter' te schrikken. Van den Akker vliegt hiermee bijna uit de bocht, omdat de grap evengoed wat flauw is. Maar gelukkig blijft het niet bij die joligheid. Aan het einde van het vers proeft de persoon 'aarde en bloed, flappert nog wat na, blijft lam / liggen, zakt uiteindelijk weg, diep in de grond.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

maandag 6 december 2010

Anneke Brassinga - Ontij

RATIONELE ROMANTIEK

Het stormt op het voorplat van Anneke Brassinga's nieuwe bundel. Stug koerst er een stoomschip door de slagregens en de woeste golven. De titel Ontij is zowel in kapitale blokletters als cursief gedrukt. Het tweeledige beeld van het machinale schip en de hoge zee, en de dubbele typografie zijn tekenend voor Brassinga's poëzie.

Dit tweeledige beeld blijkt bijvoorbeeld uit het binnenwerk. De bundel bestaat uit 42 gedichten en één pentekening die gerelateerd is aan een van de gedichten. Ze zijn verdeeld over verschillende reeksen en afdelingen, en zijn in twee soorten poëzie in te delen: autonome verzen die volledig van eigen makelij zijn en gedichten die gedeeltelijk van anderen zijn; in Ontij staan ook collages en vertalingen.

Merlinisme & Romantiek
Brassinga's klankrijke autonome poëzie, die het grootste gedeelte van de bundel in beslag neemt, balanceert op het snijvlak van Merlinisme en Romantiek. Dit wil in haar geval zoveel wil zeggen dat ze haar rationele, construerende, soms Kouwenaarachtige aanpak verenigt met de overweldigende ervaring van de natuur, gevoelens en het onbewuste.

Iets dergelijks speelt bij de zes collagegedichten uit de aan L.Th. Lehmann opgedragen reeks 'Collagehommage' die zijn samengesteld uit regels van Lehmann en haarzelf. Hierin zijn hun verschillende stijlen terug te zien die als schip en zee met elkaar spelen: Lehmann met metrische eenduidige regels, Brassinga met complexere versregels.

Uitersten
Met name in haar autonome poëzie schroomt Brassinga niet om uitersten te combineren. Liederlijke frasen als 'Waterroos en zonnedauw zullen zodra / het schiere mij opneemt, mislukte levensbewegingen / alsnog volvoeren, sierlijk, gerust' gaan schouder aan schouder met soepele zinnen als 'ik was / de gewoonste zaak van de wereld'. Inversies, zinnen waarvan de logische woordvolgorde is omgedraaid, zoals: 'kon ik / het krijtwit kind hem sturen' vind je samen met alledaagse zinsstructuren. Veelvoorkomende archaïsmen en gewichtige woorden zoals 'verfoeisel' en 'onbeschroomden' worden regelmatig gepaard aan frisse, grappige woorden als 'suizendse' en 'margarinegatenkaas'. Bestaande, soms sleetse uitdrukkingen zoals 'Joost mag het weten', kom je in hetzelfde gedicht tegen als waarin Brassinga schrijft dat de 'ik' de 'zonneschijn aan duizend splinters' trapt, wat toch wel voor origineel mag doorgaan.

Ondanks het schommelende karakter van haar gedichten, heeft Brassinga wel de neiging gedichten af te ronden met conclusies en uitsmijters in plaats van ze open te laten. Dat maakt soms dat haar poëzie wat geconstrueerd overkomt. Uit die wijze van afronden, spreekt een poëtica: de idee dat een gedicht een gesloten eenheid is in plaats van een voor de interpretatie oneindig open domein. Wie eenmaal de kern van een van haar gedichten heeft gevat, heeft haar betekenis. Er hoeft niet verder te worden gezocht.

Humor
De humor in Ontij lijkt dat eveneens te suggereren: zoek niet verder, neem het niet zo serieus. Kijkend naar de titels van de verschillende afdelingen bijvoorbeeld komt 'Hommagecollage' een beetje gemakzuchtig over, alsof de gedichten de verdienste zijn geweest van hobbyistisch knip- en plakwerk. Iets dergelijks geldt voor 'Germanismen', de kop van de vier verdienstelijk uit het Duits vertaalde gedichten van Hilde Domin en Ingeborg Bachmann die als derde dichtsoort de bundel afsluiten. Hun gedichten zijn geen grappen, de vertalingen evenmin. Ze zijn steengoed. Waarom ze met zo'n titel relativeren?

Brassinga's gedichten in Ontij zijn beeld- en klankrijk. Maar veel meer dan in IJsgang, haar vorige bundel, lijkt Brassinga zich te verliezen in woelige, dichterlijke constructies. De plechtstatige archaïsmen en inversies springen dermate in het oog dat ze afleiden van de gedichten in hun totaliteit. Er ontbreekt daardoor een levendigheid die veel hedendaagse poëzie juist zo fris en ongrijpbaar maakt. Je kunt je afvragen of de dichteres niet gebaat is bij een paar afleveringen van 'Oh Oh Cherso' om van die geconstrueerdheid weer een beetje los te komen.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

vrijdag 25 september 2009

Henk van Zuiden - Dicht! De beste poëzie, slamdichters en rapteksten

DRIE TEKORTKOMINGEN, YOU'RE OUT!


In de wereld van de poëzie wordt om de haverklap gebloemleesd. Komrij wist wel raad met zijn 2000 en enige gedichten van de Nederlandse Poëzie van de 19e en 20ste eeuw, Chrétien Breukers leverde in 2007 een vergelijkbaar staaltje met dichters vanaf de jaren tachtig, waarbij niet alleen gepubliceerde dichters werden opgenomen, maar ook 'internetdichters'. De rij bloemlezers lijkt oneindig: Erik Jan Harmens, Ruben van Gogh, Rob Schouten, Rogi Wieg en ga zo maar door. Nu is het de beurt aan Henk van Zuiden, met Dicht! De beste poëzie, slamdichters en rapteksten.

Toegegeven, de (onder)titel van deze bloemlezing is niet een van de gelukkigste, want in tegenstelling tot wat hij vermeldt, vindt u in de bloemlezing naast de poëzie en rapteksten geen weldoorbloede slamdichters. Als u nu net zat te wachten op slamdichters, nat van plankenkoorts en rillend als het bundeltje poëmen dat ze vasthouden, weet u nu al dat u de pocket beter kunt laten liggen. Zoekt u ze in dat geval maar in het wild, in die nachtelijke burelen van het woord. Wat zult u daar aantreffen?

Weinig rap maar wel gedichten
Sterretjes, heel veel sterretjes. Wie eens naar een Poetry Slam is geweest, heeft ze op zijn netvlies: de enthousiaste bundelloze dichters die in wedstrijdvorm hun beste gedichten op de beste manier voordragen. In een aantal rondes wordt daar een winnaar uitgekozen. Die winnaar gaat naar de jaarfinale en als die gewonnen wordt naar het NK Poetry Slam, dat in Utrecht door het Poëziecircus georganiseerd wordt. Daar lonken de wereldkampioenschappen! Daar riekt het naar onsterfelijke roem! Roem! Maar nee, in deze bundel geen slamdichters. Wel veel begrijpelijke en grappige gedichten die ondermeer door dichters uit het slamcircuit zijn geschreven (en daar bovendien niet misstaan).

Omdat bij bloemlezingen de kwaliteit van de titel natuurlijk ondergeschikt is aan de keuze van de teksten, wordt het tijd die eens onder de loep te nemen. De inhoud van Dicht! kenmerkt zich door grote en gemêleerde selectie gedichten en een zeer beperkt aantal rapteksten. Van die laatste categorie zijn er maar een karige vijf opgenomen, zes als je Ingmar Heytze's 'Short rap' meerekent. Het tekent de voorkeur van Van Zuiden: het is hem om de gedichten te doen, wat, vanuit het perspectief van een rapper, teleurstellend is. Dit is, naast de onhandige titel, een tweede tekortkoming van de bloemlezing.

Gehannes met de marges
De meeste gedichten in Dicht! zijn toegankelijk en grappig. Als de gedichten niet grappig zijn, zijn ze meestal wel geestig. En als ze gespeend zijn van enige geestigheid, zijn ze nog altijd begrijpelijk. Ze zullen bij jongeren, de doelgroep vanDicht!, over het algemeen wel in de smaak vallen. Bovendien zijn het gedichten die het bij de voordracht vaak goed doen. Op de NK Poetry Slam winnaars De Woorddansers en Sven Ariaans na, staan alle NK Slam-winnaars in de bundel. Ook Tjitske Jansen, die tot dichterlijke wasdom kwam in de wereld van de Poetry Slam, vindt de lezer erin terug. Daarnaast staan er gedichten van Hans Dorrestijn, Ted van Lieshout en Huub van der Lubbe in de bundel.

Met enkele gedichten is de lezer langer onderweg: Gerrit Kouwenaar is daar bij uitstek een goed voorbeeld van. Van hem is 'a happy childhood' opgenomen, afkomstig uit de bundel Totaal witte kamer (2003). Het is zonder meer terecht dat Kouwenaars poëzie, waarvan elke letter op zijn plek valt, een plaats in de bundeling heeft gekregen. De invloed die Kouwenaar gehad heeft op de Nederlandse poëzie is immens. 'Veel Nederlandse poëzie is verkouwenaard, hoor je wel eens zeggen', stelde Gerrit Komrij in 2000 nog maar eens vast. Het is dan ook erg jammer dat een derde tekortkoming zich juist bij deze dichter openbaart: de vorm van het gedicht is danig veranderd. Oorspronkelijk heeft het gedicht vier distichons (een tweeregelige strofe), maar in Dicht! Is het tweede distichon in een terzet (drie regels) veranderd.

Poëzie zou geen concessies moeten doen aan de marges die een uitgever zijn publicaties oplegt. Gezien de grote inzet die Van Zuiden tot nog toe heeft getoond voor de letteren en de poëzie in het bijzonder – denk bijvoorbeeld aan de Windroosreeks, waarvan hij uitgever is – zou je iets anders verwachten. Dat is erg jammer. De schamele vijf euro die de bundel kost, is zo wel erg goedkoop.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

vrijdag 10 juli 2009

Frans Budé - Bestendig verblijf

EEN JUBILEUMBUNDEL VOL VERGANKELIJKHEID


Het is inmiddels vijfentwintig jaar geleden dat Frans Budé debuteerde. Door de Maximalen werd zijn soort poëzie bij monde van Joost Zwagerman polemisch weggezet als bloedeloos, onuitnodigend en behorend tot de school van Kouwenaar. Wie zich achteloos op dergelijke kritiek verlaat, verliest de mogelijkheid zich te laten meevoeren door Budés gedichten.

Natuurlijk is een verwantschap met de poëzie van Kouwenaar niet te ontkennen. Sterker nog, het verwantschap is opvallend. Ook Budé (1945) hanteert overwegend een van rafelrandjes ontdane, gecomprimeerde taal en net als bij Kouwenaar problematiseert Budé de mogelijkheden van taal, waarvan hij de uiterste mogelijkheden graag opzoekt. Die ingeklonken taal maakt dat je voor Budés gedichten de tijd moet nemen. Ook komen ze het best tot hun recht als je de dichter nu eens niet in de schaduw van de grootmeester plaatst.

Schumann
De bundel bestaat uit eenentachtig gedichten die zijn opgenomen in elf in zichzelf coherente delen of reeksen. Dat is een forse hoeveelheid voor een bundel, die doorgaans uit zo'n veertig gedichten bestaat. Deels hebben de gedichten een vrije vorm. Maar in de reeks 'Hoe alles gebeurt' volgt zeven keer een elf terzetten groot gedicht op een kort vers. Elke reeks heeft zijn eigen onderwerp. 'Schumann' heeft de gelijknamige componist als thema en in 'Niemand ziet' reageert Budé steeds op een ander schilderij.

Hoewel het achterplat Bestendig verblijf een gevarieerde bundel noemt over reizen in ruimte en tijd, blijft Budés poëzie circuleren rondom het thema van de vergankelijkheid, een van de overkoepelende thema's uit zijn werk. Dood, verandering, ontwikkeling en het bijeenkomen van uitersten zijn veelvuldig in zijn gedichten terug te lezen. Zo sterft er een meisje onder een boom, spreekt hij in de reeks gedichten 'Niemand ziet' over fruit in termen van rotting en verderf en bezigt hij regelmatig een aan dood gelieerd taalgebruik. Een krachtig voorbeeld is het onderstaande korte gedicht uit de reeks 'Stilte', het is een In Memoriam voor de beeldhouwer Hans Bartelet.

Er is een maan langsgegleden, dobberend
in zijn baan, er is je haar in de war,
je schaterlach – een kraai ermee vandoor
verre plek die niemand kent

De dood in Budés dictie hierboven, schuilt enerzijds in het agrammaticale karakter en anderzijds in de  fragmentarische vorm ervan. Ze werken een vlotte en gemakkelijke lezing tegen. Je wordt tijdens het lezen telkens opgehouden en tegengewerkt. Zo werkt de dood ook: ze is steeds een einde in de eeuwige cyclus van het leven op aarde.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

maandag 11 mei 2009

Wiel Kusters - Zielsverstand

SLECHTS DEELS EEN STERK WERK


In de academische wereld geldt Wiel Kusters als de belangrijkste pleitbezorger van Gerrit Kouwenaar. Kusters plaatste Kouwenaar, die met de Vijftigers tot 1972 en later zelfstandig flink aan de weg timmerdemet drie doorwrochte publicaties op deliteratuurwetenschappelijke kaart. Naast zijn beschouwend werk, publiceerde Kusters verscheidene bundels, waaronder kinderpoëzie.Zielverstand is Kusters' meest recente werk.

De bundel bestaat uit vier delen. In de laatste drie delen is een eenheid te onderscheiden. In het eerste deel 'Langzame wals' is die ver te zoeken. Niet alleen is er inhoudelijk weinig dat de gedichten bindt: ze gaan over taal, locaties en herinneringen, ook qua stijl zijn de gedichten heel verschillend. De eerste twee doen sterk denken aan de compacte, taalgerichte gedichten van Kouwenaar, dan volgt een drietal dat verwant lijkt aan de poëtische notities van Judith Herzberg, weer iets verderop vind je narratieve gedichten die wat weg hebben van Jaap Harten's werk.

Eenheid
In het tweede deel, 'School der poëzie', is wel een eenheid te onderscheiden, een inhoudelijke: alle gedichten hebben poëzie en de wereld die zich daar omheen wentelt – die van de dichters, festivals en instituten – als thema. Hier vind je een aantal opdrachten aan andere auteurs, zoals aan Kouwenaar en Franz Budé. In 'Gedichtendagen', het derde deel van de bundel, is sprake van eenheid doordat het bestaat uit overwegend rijmende vijfvoetige jambische sonnetten.

'Wedloop', het vierde deel van de bundel, bestaat uit één langgerekt gedicht over de marathon. De geschiedenis van deze atletische discipline en anekdotische weetjes wisselen elkaar af. Ondertussen word je bekendgemaakt met het doorzettingsvermogen en afzien dat marathonlopen van je vergt. Het gedicht is wel aardig totdat je de laatste pagina van het gedicht omslaat: het blijkt uiteindelijk allemaal te doen om een voortijds overleden jongen. Dan blijkt het gedicht toch aanmerkelijk sterker dan in het eerste instantie leek.

Wak
Een aantal gedichten echter is weinig concreet. Dat is jammer: het maakt ze tot gedichten waar je bij had moeten zijn. Het gedicht 'Wak' illustreert deze lacune:

En later komen dan de jaren
waarin we wie wij samen waren
ontredderd in een wak zien staren

omdat de kou die ons niet sloeg
ons beiden ook niet samen droeg
het vlies verbrak zich veel te vroeg

ik wil niet wedden dat ik leef
ik wil jou warmen die mij wreef
als ik ons wak straks wijder beef

Het gedicht laat je met veel vragen achter: over wat voor wak gaat het?  Hoezo ontredderd? Wat wordt bedoeld met de kou die ons niet sloeg noch samen droeg? Welke kou was dat? Hoe beef je een wak wijder als je erin staart?

Rijm
Al zit een zeker deel van de rijmende gedichten goed in elkaar, een ander deel neigt spijtig genoeg naar rijmdwang, net als het hierboven besproken 'Wak' overigens. Ook de eerste strofe van het sonnet 'In gesprek' laat dit haarscherp zien:

Mijn moeder huilde aan de telefoon.
'Waar ben je toch, je bent steeds in gesprek.'
Ik was haar uitkomst, want ik was haar zoon.
'Dat tuut-tuut-tuut van jou, maakt me gek.'

Het is al bij de eerste regel duidelijk dat het om een telefoongesprek gaat tussen een moeder en een zoon. De enige legitieme functie van het woord 'zoon' is het rijm. Wanneer het woord in het gedicht nogmaals terugkeert, wordt het zelfs ronduit sentimenteel:

'Ik kom straks langs,' heb ik je gauw beloofd.
'Ik heb nog wel, ik breng je dadelijk wat.'
Ik was jouw zoon, ik gaf jou nooit de borst.

Ondanks verschillende interessante gedichten is Zielverstand niet zo solide als Kusters' literatuurwetenschappelijk werk. De rijmdwang en sentimentaliteit die bij vlagen opkomt, stellen teleur, evenals de soms zeer algemene uitspraken die je in zijn gedichten her en der tegenkomt. Dat is erg jammer.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

vrijdag 21 november 2008

NBD/Biblionreeks - Een leven lang. Auteursportretten in woord en beeld: Gerrit Kouwenaar

EEN LEVEN LANG, EEN TREURZANG

Het meest recente deel uit de NBD/Biblionreeks Een leven lang. Auteursportretten in woord en beeld is gewijd aan de dichter Gerrit Kouwenaar. De twee cd's bieden een veelvoud aan interviews en recensies, een opsomming van primaire en secundaire literatuur, een biografische schets van Kouwenaars leven, wat foto's en een uittreksel van een van zijn romans.

Een leven lang verschaft veel informatie, maar helaas is die vrij onzorgvuldig samengesteld, geredigeerd en geprogrammeerd. De onzorgvuldige samenstelling blijkt ondermeer uit het opnemen van verschillende beschouwingen en rapportages onder het kopje 'interviews'. Ook lijkt de keuze voor het opgenomen materiaal onoverwogen. Zo volgt na een redelijk evenwichtige fotografische 'doorloop' van zijn leven een tweetal hobbyistische en weinig representatieve foto's van Kouwenaar die foto's uitzoekt voor deze NBD/Biblion-publicatie.

Achterhaald
Bovendien is bij de samenstelling niet aan de nabije toekomst gedacht. Een leven lang maakt geen vermelding van Kouwenaars sinds lang aangekondigde Vallende stilte (2008) noch van Gaston Franssens' uitmuntende studie: Gerrit Kouwenaar en de politiek van het lezen (2008). Hierdoor was Een leven lang al achterhaald voor het gepubliceerd werd. Dat er geen verantwoording is te vinden voor de selectie van het materiaal is meer dan typerend.

Bij het overnemen van teksten is het zeer ongebruikelijk dat teksten verbeterd of veranderd worden. Je zou er dus vanuit moeten gaan dat de redactie van NBD/Biblion secuur te werk is gegaan. Maar de cd-rom is dermate geplaagd door spel- en grammaticale fouten dat daar vraagtekens bij te zetten zijn. Deels door de ondoorzichtige opmaak kan het bovendien bij de interviews soms onduidelijk zijn wie nu aan het woord is: de interviewer of  Kouwenaar. Was dat dan ook al zo bij de originele teksten? Omdat deze allemaal uit landelijke dag- en weekbladen komen waarbij de tekstkwaliteit doorgaans hoog is, valt dit te betwijfelen.

Onhandig
De onhandige programmering blijkt uit het feit dat het op de cd-rom lastig surfen is, onder andere doordat er geen 'terug' of 'volgende'-toets is ingebouwd en een zoekfunctie ontbreekt. Daarnaast is het NBD/Biblion-programma niet op een klein venster te bekijken. Iets dat vreemd is, maar na navraag blijkt het samen te hangen met het copyright, om dezelfde reden heeft NBD/Biblion de teksten onkopieerbaar gemaakt. Op zich is dit begrijpelijk, maar het wordt de professional, die bijvoorbeeld op een wetenschappelijke wijze gebruik wil maken van de informatie, niet bepaald gemakkelijk gemaakt.

Dit alles is zeer te betreuren en is evenmin in het belang van Kouwenaar als literair-cultureel fenomeen. De wetenschap en de kritische beschouwing zijn er ook al niet bij gebaat. En uiteindelijk heeft NBD/Biblion er ook weinig belang bij. Het doel van de serie is toegang verschaffen tot het werk van een auteur, maar met deze uitgave zet NBD/Biblion de deur naar Kouwenaar maar voor een kwart open. En daardoor is het lastig binnenkomen.

Gepubliceerd op 8WEEKLY