Posts tonen met het label Kees 't Hart. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kees 't Hart. Alle posts tonen

zaterdag 1 oktober 2011

Jeroen Mettes - Nagelaten werk


De Mei van onze tijd?

Over de doden niets dan goeds. Maar in hoeverre is de publicatie van deze mondaine, intellectuele hagiografie van Jeroen Mettes' in Nagelaten werk, het 'verboekte' blog Poëzienotities en postuum gepubliceerde prozagedicht in N30+, van toegevoegde waarde?

Mettes, die werkte aan een proefschrift over poëtische ritme, hield van juni 2005 tot september 2007 het spraakmakende weblog Poëzienotities bij. Daarop besprak hij dichters op alfabetische wijze, maar verder dan de G van Goudeseune kwam hij niet. In september 2006 pleegde hij zelfmoord na het plaatsen van een leeg bericht. Samen met het duimdikke prozagedicht in N30+ is het blog geredigeerd in het Nagelaten werk opgenomen onder de noemer Weerstandsbeleid, Nieuwe kritiek.

Nieuwe vs. neo

Poëzienotities was spraakmakend omdat Mettes' intelligente posts onverbloemd kritisch waren. De vanuit een ietwat ouwelijke houding in fris en helder taalgebruik geschreven teksten hebben een duidelijke mening en zijn (literatuurwetenschappelijk) onderbouwd - het is deze weinig voorkomende en genoeglijke combinatie die van de samenstellers de connotatie 'nieuwe kritiek' krijgt. Daarmee krijgt Nagelaten werk ook een pamflettistisch karakter: dit is dé nieuwe uitoefening van literaire kritiek.

Deze 'nieuwe kritiek' onderscheidt zich van de neokritiek . In 1997 gemunt door socioloog Rudi Laermans in De witte raaf, is neokritiek een radicaal subjectieve kritiek die voorbij gaat aan de inhoud en zich richt op 'het ontmaskeren van anderen, en hun spreken en handelen, in termen van persoonlijke belangen, macht, posities ...'.

Anarchistische kritiek

Maar neem de connotatie 'nieuwe kritiek' bij Weerstandsbeleid niet te serieus. Mettes heeft daar geen patent op: ondermeer Ter Braak, Vestdijk en Nijhoff gingen hem voor. Zijn kritiek is even anarchistisch als methodisch te noemen. Anarchisme klinkt met name door in de grote verscheidenheid van onderwerpen. Wordt de ene keer de poëzie van een dichter besproken, dan is het een volgende keer slechts één gedicht of wordt alleen over een flaptekst van een bundel geschreven. Soms gaan de teksten over poëzie, andere keren ligt de nadruk meer op een associatie die uit de poëzie voortkomt.

Bovendien is een goed deel van Weerstandsbeleid, zeker naarmate Mettes' einde nadert, steeds meer gevuld met flarden die niets of maar zijdelings met nieuwe kritiek te maken hebben. Uitstapjes zoals naar Hölderin en Levinas, naar frasen (zoals 'voetbal is kunst' en 'meiden percipiëren lezen als funactiviteit') die hij niet meer wilde horen en zijn top 10 van populaire muziek, ze nemen hand over hand in aantal toe. Als je die uitstapjes als kritiek wilt zien, neigen sommige naar de neokritiek waarvan Mettes zich bij zijn literatuurbesprekingen juist onderscheidt.

N30+

Bezijden de vraag hoe blijvend (data op) internet is, kunt je de vraag stellen in hoeverre de publicatie van het blog van toegevoegde waarde is, gezien het informatieverlies (beeldmateriaal, links, discussies e.d.), temeer Mettes' project nooit gecompleteerd is. Waarom een boek kopen als het in zijn meer interactieve vorm op internet vrijelijk beschikbaar is? Zijn de vijf aan Weerstandsbeleidtoegevoegde academische essays van Mettes daarvoor afdoende? N30+ is echter een geheel andere kwestie.

Naast twee eerder gepubliceerde cycli, beslaat het leeuwendeel een 114 bladzijden tellend prozagedicht N30. Dat is te omschrijven als een dichterlijke variant op Valery's Monsieur Tête. Het balanceert tussen een fragmentarische aaneenschakeling van extatische kretologie, oneliners en platitudes, én raak aaneengeschakelde zinnen met taalvondsten, interessante ideeën en mooie beelden. Min of meer overeenkomstig met zijn beeld van de wereld: een wereld die bestaat zoals je die kent als je over straat loopt, 'wat niet de vorm van een anekdote is, maar een dynamische assemblage', verwoordt hij in een e-mail aan zijn vriend, de dichter/componist Samuel Vriezen.

Assemblage

Mettes wilde ook een episch gedicht schrijven, maar omdat Mettes geen narratief gebruikt maar zinnen assembleerde, is het geëngageerde gedicht daardoor satirisch geworden. Ontstaan in de schaduw van de protesten tegen de Wereldhandelsorganisatie eind 1999, achtte Mettes verandering mogelijk, maar, schrijft hij 'als de grondtoon van dit werk meer wanhopig dan utopisch klinkt, dan komt dat niet per se door de reeks catastrofen die ons sinds 1999 steeds dieper in een rechtse nachtmerrie hebben gestort, - een nachtmerrie waar het werk evengoed rekenschap aflegt - maar omdat mijn hoop vooralsnog leeg blijft'.

De grondtoon is inderdaad weinig utopisch; het geluid van een gepornoficeerde, geweldadige, narcistische, populistische en sterk kapitalistische maatschappij klinkt door in N30. De Golfoorlog, Palestina, en de oorlog tegen het terrorisme, WOII en de jodenvervolging zijn thema's die steeds terugkeren. Een willekeurige passage leest als volgt:



O ironie! Laten we emigreren!
Het leger vuurt traangas af op winkelende Palestijnen. En luid hinniken de hymnen aan de god die jou, lezer, blind en gebonden, in hun armen heeft doen vallen. Wat de nar belooft... Er is een dier-worden van mensen, maar geen mens-worden van dieren. Bewijs: mijn grote tieten. Daar kun je ook heel genuanceerd over doen. Hoewel ik stomdronken ben en moe. Waar lopen we op? De onbereidheid tot sterven is niet alleen symmetrisch met de professionalisering en technocratisering van de oorlogsmachine; ze weerspiegelt de organisatie van een schimmige, transnationale soevereiniteit, die niet langer opofferingsgezindheid eist van haar onderdanen, maar hen in tegendeel verplicht tot leven. Hier (tegenover de zee in de winter) heb ik Herman Gorter gelezen.



De Mei van onze tijd?

N30 heeft in zijn noviteit wel iets weg van de Mei (1889) van deze Gorter, die daarmee de poëzie opnieuw 'uitvond'. Mettes prozagedicht is zo nieuw dat hij er de term 'nieuwe zinnen' aan verbond.  Radicaal nieuw is het echter niet. Enkelen gingen Mettes op andere schaal voor, Pound bracht zinnen uit de wereldliteratuur in zijn Cantos samen en Kees 't Hart - in de Groene Amsterdammer lyrisch over Mettes Nagelaten Werk - deed een al een niet-geëngageerde duit in dit zakje met 'Spiegel' uit Ik weet nu alles weer, al speelt het gedicht zich af op woordniveau, in plaats van op het zinsniveau van Mettes. Of met N30 een nieuwe literatuur gesticht wordt, hangt af van de mate waarin het wordt nagevolgd. De tijd zal het leren.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

zondag 29 mei 2011

leesMEI

VAN LENTE NAAR ZOMER MET GORTER

Op Hemelvaartsdag, donderdag 2 juni, wordt op het Stadserf Rood|Noot te Utrecht tussen 14:00 en 22:00 uur door 101 verschillende voordrachtskunstenaars de hele zinnelijke Mei van Gorter voorgelezen. Waarom moeten we Mei nog horen?
Constatijn Huygens-prijs winnaar A.L. Snijders schreef vorig jaar naar aanleiding van leesMEI in een van zijn ZKV's (zeer korte verhalen) dat 'de dood mij met rust zal laten zolang ik Gorter lees', en heeft gevraagd elk jaar een andere pagina voor te mogen lezen.

Gorter en de Tachtigers
Herman Gorter (1864-1927) behoorde tot de generatie van de Tachtigers, die vooral bekend is vanwege Kloos' adagium dat poëzie 'de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie' was. Dat leidde in de poëzie tot toepassing van neologismen (zoals ritsellicht en tintelsneeuw) en beeldspraak die niet langer vooral leunde op de bijbel en de Griekse mythologie, maar zoals ook bij Gorter, steeds meer op de levende Nederlandse natuur.

Gorter was binnen de generatie van de Tachtigers een vreemde eend in de bijt. Niet alleen was hij een periode socialist – wat tegenover het ultieme individualistische adagium van de Tachtigers stond, maar ook liet hij al vrij vroeg in zijn carrière de vaste versvorm los. Bovendien stapte hij van het gebruik van het eindrijm af en toonde een zekere minachting voor correcte syntaxis of zinsbouw.

Van kind naar volwassene
Mei heeft een filosofisch-metafysische inslag: de idee dat de vergankelijke natuur en de eeuwige ziel nooit tot een blijvende verbintenis kunnen komen. De dichter zou als een van de weinige stervelingen iets van die ziel kunnen voelen en dat kunnen verklanken in poëzie.

Voor wie ook maar enigszins van gedichten houdt, is de Mei als aarde en brood; het hoort bij je, je hebt het nodig, je wilt er mee leven. 'De meeste mensen kennen alleen de eerste regel – "Een nieuwe lente en een nieuw geluid"', aldus initiatiefnemer Hans Heessen. 'Bijna niemand heeft het ooit helemaal gelezen. Pagina voor pagina moet het samen lukken.' In het vijfduizend regels tellende gedicht wordt het leven zintuiglijk en klankrijk verdicht. Het omschrijft de overgang van lente naar zomer, van kind naar volwassene.

Tegen de tijdgeest
Je zou LeesMEI de volkse pendant van de The 21st Annual Simply Shakespeare Celebrity Reading kunnen noemen, al is de lezing niet verstoken van prominenten. Onder de lezers bevinden zich onder meer Ester Naomi Perquin, Erik Bindervoet, gambist Ralph Rousseau Meulenbroeks, Daniëlle Serdijn en Kees 't Hart. De voordracht wordt regelmatig aangevuld met geïmproviseerde composities van geluidskunstenaars en vingervoedsel.

woensdag 3 september 2008

Kees 't Hart - Ik weet nu alles weer

VERHEVEN BANAAL


Dat voor Kees 't Hart kunstmatigheid een grote rol moet spelen in de literatuur is vaker opgemerkt. Het is ook een bekende gedachte bij meerdere dichters. Speelt in een roman het verhaal een belangrijke rol, de poëzie moet het toch vooral hebben van de werking van bijzonder, kunstmatig taalgebruik. Maar in zijn laatste bundel wil 't Hart meer. In Ik weet nu alles weer zoekt hij een ongegeneerde vermenging van het verhevene en banale.

Die postmodernistische vermenging van het banale en verhevene is een constante in zijn laatste bundel. Zo komt een opsommend gedicht over veertien van 't Harts woonadressen na een gedicht over een denkende Goethe. Een gedicht met 'epische' kwaliteiten dat over een oefenwedstrijd tussen spelers van Tuitjenhorn en die van Heerenveen gaat, is zowel een openhartige autobiografische optekening van zijn tijd bij de superfriezen als een poëtica in één. Het gedicht over Franciscus van Assisi heeft een bijlage.

Refractie
Er is ook op een andere manier naar 't Harts gedichten te kijken. In de bundel zie je voortdurend dingen uit de poëzie en poëtica van anderen of andere stijlen weerspiegeld, zij het op 'refractische' wijze: de eerder genoemde epiek is daar een voorbeeld van, maar ook het gedicht over Goethe dat qua stijl verwant lijkt aan Annemieke Gerrists stijl. Ook is het gedicht 'Nee' duidelijk een tegenhanger van Vinkenoogs 'Ja' (beluister bijvoorbeeld de gelijknamige cd van Spinvis en Vinkenoog) en lijkt zijn vermenging van het verhevene en het banale een weerslag van poëzie van dichters als Mustufa Stitu en enkele Maximalen. In het titelgedicht reflecteert 't Hart ook op zichzelf.

Spiegeling wat de klok slaat, nog zoiets wat een prominente rol heeft. Het gedicht 'Spiegel' neemt in de bundel dan ook een bijzondere plek in. Het bestaat uit vierenveertig vierregelige strofen, verspreid over acht bladzijden. In maar weinig gedichten is op zo'n structurele wijze de zinsstructuur uit elkaar geslagen. De sporadische werkwoorden hebben geen functie meer, het stikt van de neologismen, er zijn verschillende niet-Nederlandstalige woorden en ook ontbreken nog eens alle leestekens en lidwoorden. Wat overblijft is een opeenvolging van woorden die vrijwel zonder enig grammaticaal verband naast elkaar zijn gerangschikt:

lichtbuit mist wolkpartij bril
touw pakpapier plakband inzet
orgeltoon spuitbus zandvis boek
potage stip spiegel wekker

vlag dadel mast klooflucht
morgensfeer rook uil mokkel
instap belach oker maken
boor vlas stol kaart plakzucht

Spiegeling
Omdat de woorden amper meer in een grammaticaal verband met elkaar staan, wordt de communicatieve functie van taal natuurlijk ernstig verstoord. Het titelwoord 'spiegel' bijvoorbeeld, kan alles betekenen. Net wat je erin leest eigenlijk: het gepolijste glas dat boven je wastafel hangt; een voorbeeld; een afspiegeling of spiegelbeeld; een omlijst vlak; een achtersteven van een oud oorlogsschip; bovenste laag van een kistje sigaren; het oog van viervoetig wild; (een verkorting van) bladspiegel; enzovoorts. Misschien dient het als metafoor, misschien is het een werkwoord in de eerste persoon enkelvoud o.t.t.

Ziehier een mogelijke bedoeling van het gedicht. Wil de tekst een zinvol geheel worden, moet je met betekenissen gaan spelen. De betekenissen die je aan de tekst toekent zeggen waarschijnlijk meer over jezelf dan over de tekst. Het gedicht is slechts een spiegel waaraan je jezelf spiegelt en waarin je jezelf weerspiegeld ziet. Je hoeft er alleen maar in te kijken.

Van de vermenging van het verhevene en het banale moet je houden. Maar voor wie de bundeling interpreteert als spiegelwerk wordt het des te interessanter. Voor de spiegel van deze taal staand, zie je vooral jezelf. Zie dat maar eens bij veel andere poëzie gebeuren.

Gepubliceerd op 8WEEKLY