Posts tonen met het label Hester Knibbe. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hester Knibbe. Alle posts tonen

donderdag 26 mei 2011

Hester Knibbe - Het hebben van schaduw

ZIJN EN NIET

Zodra iets bestaat, is automatisch sprake van de ontkenning ervan. Bijvoorbeeld: als er leven is, is er dood. Of: voor ons ligt de dichtbundel Het hebben van schaduw van Hester Knibbe en al het andere in de wereld is de bundel niet.
Een van de dingen die deze bundel niet is en er toch zeer direct naar verwijst is de schaduw die de bundel als object afwerpt. Deze schaduw is zowel de negatie van Het hebben van schaduw als de bevestiging ervan. Wie echter alleen een schaduw ziet, kan maar weinig zeggen van hetgeen de schaduw afwerpt. Genoeg gefilosofeerd, laten we nader op het werk ingaan.

Wij zijn
Net als bij Bedriegelijke dagen (2008) begint Het hebben van schaduw met een openingsgedicht dat als vlaggenschip kan worden geduid.

Act

Wij zijn
           van steen in dit bedrijf en vieren
feest en dansen om een stenen tafel met daarin
gefreesd dat wij bestaan

bij gratie van. Dus til dat
zware been, wees lenig als een rots
een berg die zich verkleedt, massief bevallig
zonder leest. Wij zijn

van geest, een wolk die van de berg
de toppen leest en danst en in de hoogste bomen
lanterfant: een sluier, flarden vluchtig
lijf. Wij zijn

voor alles nog het meest
veranderlijk als vlees met harde kern dat hier
verblijft op drift naar een woestijn

geruis. Wij zijn

Zo, mens, Knibbe wijst je op je vergankelijkheid. Ze lijkt te schrijven dat we door tijd en ruimte warrelen, maar wee je gebeente: 'Wij zijn// voor alles nog het meest/ veranderlijk als vlees'. Bovendien is de harde kern die daarin verblijft – de ziel? – 'op drift naar een woestijn// geruis': het ledige, het eindeloze, het levenloze, de dood. Het wit dat als een schaduw op 'Wij zijn' volgt lijkt dit te onderstrepen: we zijn en daarna we zijn niet. Die schaduw heeft alleen betekenis door hetgeen de schaduw werpt.

Schaduw
Wat betreft de filosofische ondertoon, volgt Het hebben van schaduw zijn vlaggenschip nauwgezet. In de delen 'Het hebben van tijd' en 'Het hebben van ruimte' staan dichterlijke observaties van en herinneringen aan veelal terloopse gebeurtenissen met en passant pakkende beelden. Bijvoorbeeld in 'De berg halverwege': 'En daar liepen we/ in de barcode van het licht naar een wervelend uitzicht'. Of, in 'Waterstaat', over een zwaan op een weinig sierlijk moment: met een 'soort blauwalgkolder in z'n kop, duikt à la fuut, jaagt/ onderwaterspoken na, blaast dan weer naar wat niemand ziet, slaat met zijn wieken tegen// lucht'.

Het laatste deel 'Het hebben van schaduw' bevat twee 'in memoria' en een reeks gedichten over de zonen en dochters van Nippon (Japan), dat sinds de tsunami onherroepelijk veranderd is. Japan, zoals we het kenden, bestaat niet meer. Vergankelijkheid; we zien alleen nog schaduwen.

Taalgebruik
Door het verhalende gehalte van haar gedichten, zou je het gevoel kunnen bekruipen dat je te maken hebt met een goed gecamoufleerde prozaïst. Maar de vorm van de gedichten is goed overwogen en haar taalgebruik is vrij alledaags, al staat er af en toe een bijzonder woord tussen, zoals de blauwalgkolder van de zwaan in 'Waterstaat'. Het alledaagse zit bovendien de klankrijkheid ervan niet in de weg.

Evengoed zijn sleetse woorden deel van haar taalgebruik, zoals ook in een van de bovenstaande citaten te zien is ('wervelend uitzicht'). Dat is jammer, bijvoorbeeld in een gedicht waarin een nachthemd in de wind te drogen hangt. Het danst de 'tango', 'swingt' en het woord  'passie' wordt gebruikt. Die dikke romantiek, dat jeugdsentiment en die lege huls halen de kracht uit het vers. Gelukkig overheersen dit soort woorden niet, en zo staat er weinig in de weg om de gedichten tot je te nemen.

Leef, maar gedenk te sterven
Boekrecensies kun je zien als de schaduwen van boeken. Ze bestaan bij de gratie van die boeken en verwijzen ernaar. Maar je moet Knibbes bundel ter hand nemen om te weten of de afsluitende conclusie ook voor jou geldt: Het hebben van schaduw is een toegankelijke bundel over veelal terloopse gebeurtenissen. Een existentiële bodem ontbeert de bundel van Hester Knibbe niet: mens, leef(!), maar gedenk te sterven.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

zondag 24 april 2011

Yves T'Sjoen (red.) - De tegenstrijdige generatie. Dichters van de jaren zeventig

Om te openen in de trant van een recente kritiek van de nieuwe Brouwers door Marja Pruis in de Groene Amsterdammer: ik denk niet dat het heel moeilijk is om een enthousiaste, intelligente recensie te schrijven van de bloemlezing van Yves T'Sjoen De tegenstrijdige generatie. Dichters van de jaren zeventig.
Er is namelijk veel te zeggen over de bloemlezing. Maar eerst: hoe ziet deze eruit? Opgenomen is een greep uit de Vlaams/Nederlandse (babyboom) generatie dichters tussen grofweg de Zestigers en de Maximalen. Het zijn dichters die volgens T'Sjoen (1966), docent moderne Editiewetenschap en moderne Nederlandstalige literatuur te Gent, in de loop van hun carrière de aandacht van de kritiek verloren. Zij werden geboren tussen 1944 en 1954 en debuteerden tussen 1968 en 1984. Opmerkelijk aan de bloemlezing is dat de dichters zelfstandig en op uiteenlopende wijze hun gedichten selecteerden. Hierover later meer.
Geen (tegenstrijdige) generatie
'De gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen' schrijft T'Sjoen in zijn wollige inleiding. Maar waarom dan een bloemlezing samenstellen? Hierop geeft de auteur geen antwoord. Daarnaast ontbreekt een steekhoudende argumentatie bij zijn keuze voor de zeventien opgenomen dichters.
Zo blijft onduidelijk waarom hij geboortejaren van de dichters van belang acht. T'Sjoen claimt dat het hem om de generatie van de jaren zeventig gaat, maar het is een blijk van willekeur dat sommige dichters voor 1970 en na 1980 gedebuteerd blijken te zijn. Als je toch met de Franse slag selecteert, had Anneke Brassinga (1948, debuut 1987) evengoed opgenomen kunnen worden; onbeargumenteerd blijft waarom niet voor andere dichters is gekozen. Waar T'Sjoen in zijn inleiding zelf achter komt, is dat impopulariteit bij de kritiek geen criterium is: Nolens en Gerlach bleken ruim besproken – wat overigens ook geldt voor Stefan Hertmans, Hester Knibbe en Willem Jan Otten.
Draak van een inleiding
Mogelijk komt het doordat Uitgeverij Meulenhoff geen literair redacteur meer in dienst heeft, want beter dan in Stem en tegenstem (2004) en De gouddelver(2005) slaagt T'Sjoen erin tot in het uiterste te verhullen wat hij bedoelt. Zo gebruikt hij in de inleiding de woorden 'nieuwrealistische' en 'neorealisme'. Hebben deze woorden beide betrekking op dezelfde concept? Zo ja, waarom die afwijkende schrijfwijze?
De wereld is oneindig complex, maar T'Sjoen weet hem nog veel ingewikkelder te maken. In plaats van de 'onbekommerde poststructuralist' uit te hangen had hij het lef moeten hebben positie te kiezen en zijn keuzes te motiveren. Zijn inleiding had hij beter kunnen indikken tot: 'De opgenomen dichters heb ik gekozen omdat ik hun werk/hen (voorkeur te omcirkelen door T'Sjoen) leuk vind en omdat ze naar mijn zin maar weinig in de kritieken besproken worden. Toen duidelijk werd dat ik met mijn selectiecriteria erg vluchtig en ondoordacht te werk ben gegaan omdat bleek dat verschillende dichters wel degelijk veel aandacht kregen van de kritiek, heb ik mijn koers niet gewijzigd. Ik vreesde Nolens aan een volgende drankstuip te helpen en zag de nagels van Gerlach al in de lak van mijn auto. Omdat het samenstellen van de bloemlezing mij verveelde, heb ik de dichters gevraagd zelf gedichten aan te dragen.' Het had een paar bomen gespaard.
Domper voor de dichters
Het moet toch beetje lullig zijn om in deze bloemlezing te staan. Ten eerste krijgen de dichters de reputatie slecht opgepikt te worden door de kritiek. Door de keuze voor de gedichten uit handen te geven ontbreken ten tweede overkoepelende (kwaliteits)criteria. Dat is vooral vreemd omdat T'Sjoen de dichters 'hun plek' wil geven. De dichters kregen een eigen plek toegewezen en ongearticuleerd blijven hun eigen selectiecriteria. Zodoende slaat deze 'generatiebloemlezing' de plank mis: er wordt geen overzicht geschapen. Ten derde wordt hun werk door de bunker van T'Sjoens inleiding gevrijwaard van lezing. Nu ja, misschien zijn er twintig mensen te vinden, dichters en recensenten incluis. Het gaat dan ook niet om kwantiteit, maar om kwaliteit.
Gepubliceerd op 8WEEKLY

donderdag 12 februari 2009

Hester Knibbe - Bedrieglijke dagen

WAS ES IST


Van Hester Knibbe, wier werk bekroond werd met de Herman Gorter- en de Anna Blamanprijs, is in 2008 een nieuwe bundel verschenen. Het mosgroene voorplat van Bedrieglijke dagen toont de intrigerende compositie van kern- en halfschaduwen van twee naar elkaar toegekeerde gezichten. Het doet zowel de titel als Knibbes gedichten eer aan: je bevindt je als lezer als het ware in Plato's grot en het is gissen naar de 'waarheid' van de gezichten die hun schaduw afwerpen. 

Knibbes bundel wordt voorafgegaan door een motto uit de imponerende bundel Es ist was es ist (2001) van Erich Fried, die zijn gedichten meestal net zo mager schreef als Jan Arends. Het motto bestaat uit de eerste strofe van het rake gedichtWas es ist'Es ist Unsinn / sagt die Vernunft / Es ist was es ist / sagt de Liebe'. In Frieds gedicht worden door verschillende menselijke attributen (bijvoorbeeld dieVorsicht) argumenten opgeworpen om maar niet aan de liefde te beginnen (bijvoorbeeld Es ist leichtsinnig). Maar telkens antwoordt de liefde als een overweldigende gongslag: het is wat het is.

Een oefening in scherp stellen
Weinig van Knibbes beschouwende gedichten uit de vier compartimenten van Bedriegelijke dagen werken zo sterk als Frieds gedicht. Dit is geen negatieve kritiek: Knibbe schrijft andersoortige poëzie. In tegenstelling tot Knibbe zijn veel van Frieds gedichten fenomenologisch te noemen. Die gedichten beogen op eenduidige wijze de dingen te tonen zoals ze ten diepste zijn. Bij Knibbes poëzie, die ook naar zo'n diepste waarheid op zoek is, is daarentegen veeleer sprake van gelaagdheid. Vaak is een voorgrond aan te wijzen die zich tegen een achtergrond afspeelt.

Dat maakt het lezen van Knibbes gedichten een oefening in scherp stellen. Een goed voorbeeld daarvan is het beklijvende 'Het begon die dag met zoveel' uit het compartiment 'Bedrieglijke dag'. Daarin lees je op de voorgrond de belevenissen van een zomerse dag, waar gezwommen en geklommen wordt, waar mannen 'onder gitten platanen/ in hun leven bladerden' en een gouden tor uit de lucht viel. Als je je blik echter naar de achtergrond verlegt, word je de ongenaakbare onverschilligheid van de natuur gewaar: wat er ook in een dag gebeurt, morgen is er weer een dag die zich ontvouwt en weer wordt men ouder en weer gaan dingen dood en voorbij.

Het gadeslaan
'Het begon die dag met zoveel' is eveneens een gedicht waar een zekere beschouwende afstand inzit. Die blijkt bijvoorbeeld uit de vierde strofe:

(...) Wind
loste op in de lucht, zwaluwen begonnen
muggen te ziften, vlogen de diggelen
van de dag aan elkaar en vrouwen op
zondagse hakken omarmden
hun tassen. (...)

Ondanks dat ze rakelings langs een of twee clichés schiet (het 'muggenziften' en het 'bij elkaar houden van de diggelen'), zet ze een aansprekend beeld neer. Bovendien voegt het strofewit na 'omarmden' extra betekenis toe. Een tel zoek je naar wat de vrouwen omarmden: elkaar, niets of iets anders? Pas daarna lees je: 'hun tassen'. Mogelijk toont zich op dit punt zelfs een vervelende of onveilige situatie, waardoor ze hun tassen (en niet iemand anders) omarmen. Het bijzondere hierbij is dat Knibbe de situatie door middel van taal gadeslaat, maar niet uitlegt.

Waarheid
Net als dat de waarheid van de gezichten op het voorplat buiten het zicht van de beschouwer blijft, blijft ook de waarheid van Knibbes gedichten ongrijpbaar: die waarheid is niet apert als in Frieds motto of gedicht, maar eerder absoluut. Knibbes waarheid schuilt niet in het ideële, zoals bij Plato, maar in het onderliggende. Het is als een stille aanwezigheid in haar gedichten, in de achtergrond, ongenaakbaar, sec.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

Hester Knibbe - Bedrieglijke dagen

WAS ES IST

Van Hester Knibbe, wier werk bekroond werd met de Herman Gorter- en de Anna Blamanprijs, is in 2008 een nieuwe bundel verschenen. Het mosgroene voorplat van Bedrieglijke dagen toont de intrigerende compositie van kern- en halfschaduwen van twee naar elkaar toegekeerde gezichten. Het doet zowel de titel als Knibbes gedichten eer aan: je bevindt je als lezer als het ware in Plato's grot en het is gissen naar de 'waarheid' van de gezichten die hun schaduw afwerpen. 

Knibbes bundel wordt voorafgegaan door een motto uit de imponerende bundel Es ist was es ist (2001) van Erich Fried, die zijn gedichten meestal net zo mager schreef als Jan Arends. Het motto bestaat uit de eerste strofe van het rake gedichtWas es ist'Es ist Unsinn / sagt die Vernunft / Es ist was es ist / sagt de Liebe'. In Frieds gedicht worden door verschillende menselijke attributen (bijvoorbeeld die Vorsicht) argumenten opgeworpen om maar niet aan de liefde te beginnen (bijvoorbeeld Es ist leichtsinnig). Maar telkens antwoordt de liefde als een overweldigende gongslag: het is wat het is.

Een oefening in scherp stellen
Weinig van Knibbes beschouwende gedichten uit de vier compartimenten vanBedriegelijke dagen werken zo sterk als Frieds gedicht. Dit is geen negatieve kritiek: Knibbe schrijft andersoortige poëzie. In tegenstelling tot Knibbe zijn veel van Frieds gedichten fenomenologisch te noemen. Die gedichten beogen op eenduidige wijze de dingen te tonen zoals ze ten diepste zijn. Bij Knibbes poëzie, die ook naar zo'n diepste waarheid op zoek is, is daarentegen veeleer sprake van gelaagdheid. Vaak is een voorgrond aan te wijzen die zich tegen een achtergrond afspeelt.

Dat maakt het lezen van Knibbes gedichten een oefening in scherp stellen. Een goed voorbeeld daarvan is het beklijvende 'Het begon die dag met zoveel' uit het compartiment 'Bedrieglijke dag'. Daarin lees je op de voorgrond de belevenissen van een zomerse dag, waar gezwommen en geklommen wordt, waar mannen 'onder gitten platanen/ in hun leven bladerden' en een gouden tor uit de lucht viel. Als je je blik echter naar de achtergrond verlegt, word je de ongenaakbare onverschilligheid van de natuur gewaar: wat er ook in een dag gebeurt, morgen is er weer een dag die zich ontvouwt en weer wordt men ouder en weer gaan dingen dood en voorbij.

Het gadeslaan
'Het begon die dag met zoveel' is eveneens een gedicht waar een zekere beschouwende afstand inzit. Die blijkt bijvoorbeeld uit de vierde strofe:

(...) Wind
loste op in de lucht, zwaluwen begonnen
muggen te ziften, vlogen de diggelen
van de dag aan elkaar en vrouwen op
zondagse hakken omarmden
hun tassen. (...)

Ondanks dat ze rakelings langs een of twee clichés schiet (het 'muggenziften' en het 'bij elkaar houden van de diggelen'), zet ze een aansprekend beeld neer. Bovendien voegt het strofewit na 'omarmden' extra betekenis toe. Een tel zoek je naar wat de vrouwen omarmden: elkaar, niets of iets anders? Pas daarna lees je: 'hun tassen'. Mogelijk toont zich op dit punt zelfs een vervelende of onveilige situatie, waardoor ze hun tassen (en niet iemand anders) omarmen. Het bijzondere hierbij is dat Knibbe de situatie door middel van taal gadeslaat, maar niet uitlegt.

Waarheid
Net als dat de waarheid van de gezichten op het voorplat buiten het zicht van de beschouwer blijft, blijft ook de waarheid van Knibbes gedichten ongrijpbaar: die waarheid is niet apert als in Frieds motto of gedicht, maar eerder absoluut. Knibbes waarheid schuilt niet in het ideële, zoals bij Plato, maar in het onderliggende. Het is als een stille aanwezigheid in haar gedichten, in de achtergrond, ongenaakbaar, sec.

Gepubliceerd op 8WEEKLY