Posts tonen met het label C. Buddingh'-prijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label C. Buddingh'-prijs. Alle posts tonen
dinsdag 2 juli 2013
Iris Brunia - Laten we mijn lichaam delen
Binnenkort verschijnt hier de recensie van Iris Brunia's Laten we mijn lichaam delenl, maar wil je haar nu al lezen, kijk dan op 8WEEKLY!
vrijdag 3 mei 2013
Maria Barnas - Jaja de oerknal
CONSUMPTIEAARDAPPELEN
Maria Barnas, wier debuut de C. Buddingh'-prijs won en die onlangs nog deel uitmaakte van de VSB Poëzieprijs-jury, komt nu met haar derde dichtbundel: Jaja de oerknal, met angst als leidend thema.
Die angst blijkt al uit het motto dat uit The Waste Land afkomstig is. 'What is that sound high in the air / Murmur of maternal lamentation' schrijft T.S. Eliot, 'Who are those hooded hordes swarming'. Helaas lukt het Barnas nauwelijks het krachtige motto te evenaren.
Oerknal, jaja
De angst komt in uiteenlopende gestalten voor. Bij het geven van een lezing, bij de meningen van anderen, angst in vlagen, angst voor de dood enzovoorts. Het toch enigszins geestige titelgedicht verwijst naar de bron van de angst:
Jaja de oerknal hoor ik mezelf zeggen.
Hoe is het mogelijk dat dit in mijn mond past?
Het ontstaan een klont op mijn tong.
Stil. Angst is een zwerm die rust in een boom.
Of zijn het woorden die zich inktzwart
op de takken verdringen. Het is een vorm
van paniek die opwelt in mij en als opvliegende
zwerm uit mijn keel breekt. Het heelal slaat
de vleugels uit. Wij klapwiegen en juichen schril.
Hoe is het mogelijk dat dit in mijn mond past?
Het ontstaan een klont op mijn tong.
Stil. Angst is een zwerm die rust in een boom.
Of zijn het woorden die zich inktzwart
op de takken verdringen. Het is een vorm
van paniek die opwelt in mij en als opvliegende
zwerm uit mijn keel breekt. Het heelal slaat
de vleugels uit. Wij klapwiegen en juichen schril.
Barnas' gedichten zijn vol taalspel, zoals in het geval van die vlagen waarnaar het woord vlaggen verwijst. Knap is het hoe onderwerpen en thema's op subtiele wijze binnen de gedichten terugkeren. Ook de lichtvoetigheid is te prijzen, maar de bij aanvang enigszins eenduidig ogende gedichten kunnen je soms langer bezighouden dan je denkt.
Twee kanten van een medaille
Barnas' debuut Twee zonnen (2003) had gedichten als doffe stoten, als krassen op de huid. Het kende meer rust, Barnas leek behept met een noodzaak die haar mogelijk de C. Buddingh'-prijs opleverde. Die zaken zijn in haar derde bundel niet erg evident. Ja, hij is lichtvoetig, maar neigt naar lucht. Ja, de verweving van thema's en onderwerpen is interessant, maar voelt getrukeerd door de voortdurende repetitie daarvan en het steeds terugkeren van schijnbare tegenstellingen. Een helder voorbeeld van een 'luchtig' gedicht met een paradox is de readymade 'Dilemma':
Consumptieaardappelen staat er op een zak
aardappels die ik kocht bij de supermarkt.
Bewaren: op een donkere, droge plaats
(mag ook in de koelkast).
aardappels die ik kocht bij de supermarkt.
Bewaren: op een donkere, droge plaats
(mag ook in de koelkast).
Een observatie die aan het (te) flauwe grenst. Onduidelijk is wat de toedracht was om dergelijke 'lichtere' gedichten in Jaja de oerknal op te nemen. Neem de zeventien strofen lange opsomming van onderwerpen om angst voor te hebben. Ze is fris noch nieuw.
Kinderen
Of denk aan de lamentatie 'De kinderen', die gaat over het schrijven van een gedicht onder tijdsdruk. 'Nog dertien minuten / nee twaalf' opent het. Want daarop zullen de kinderen tijd opeisen. 'Nog acht minuten voor een meesterwerk' eindigt Barnas, 'of laat het een begin zijn. // Iets wat zo kan klinken'. In plaats van problematiseren, had ze kunnen werken aan een steengoed gedicht, over zeg: kinderen en tijdsnood.
Ook had her en der wat kunnen worden gesnoeid. Het aan Ingrid Jonker opgedragen 'Gesloten hoofd', opent met: 'Ik moet spreken voor mensen'. Natuurlijk spreek je voor mensen. Waren dieren of dingen toehoorders geweest, was vermelding interessanter geweest. Een en ander leidt ertoe dat het hoofdthema van Jaja de oerknal niet ten volste wordt overgebracht. In de bundel ontbreekt diepgang, noodzaak. Stijl is belangrijk, maar wel een die zich verbindt met de inhoud. Voor iemand met zo'n duidelijk talent, is Jaja de oerknal helaas niet meer dan een knalerwtje.
maandag 15 april 2013
Bernke Klein Zandvoort - Uitzicht is een afstand die zich omkeert
Een debuut met een hoog C. Buddingh'-gehalte
Af en toe verschijnt een debuut dat boven het maaiveld uitsteekt. Dat geldt voor Uitzicht is een afstand die zich omkeert van Bernke Klein Zandvoort.
Decors
Die wereld lijkt een theater dat geen acht slaat op zijn waarnemer. Het is druk-druk in de weer met het opbouwen en verplaatsen van de decorstukken: gevels die rond een gehaaste blinde man 'overeind worden getakeld', vanaf een drempel vouwt een 'tuin crescendo open'. De opgeroepen wereld komt over als een bewegend lichaam. Hoogwerkers 'reiken' naar gebouwen, golven 'tikken' aan en dimlicht 'sluipt' uit de barstraat. Een merel 'niet wetend wat te doen / een stukje karton tussen zijn snavel' krijgt iets menselijks.
Door de grootse afstand en nabijheid van de verschillende decorstukken zijn de beelden adembenemend. Neem de eerste strofe van het openingsgedicht:
over de steile heuvels vlokken schapen
een colonne koeien probeert een wolk voor te blijven
die zijn reusachtige schaduw op het gras achter zich aan trekt
over een slobberweggetje klim ik, een emmer
in zichzelf klotsend water, de heuvel op
een colonne koeien probeert een wolk voor te blijven
die zijn reusachtige schaduw op het gras achter zich aan trekt
over een slobberweggetje klim ik, een emmer
in zichzelf klotsend water, de heuvel op
De acteur
Als de bundel bestaat uit al dan niet bewegende decors, dan zijn de personen in de bundel acteurs. De vertellende speler van deze bundel komt soms wat gekunsteld over:
als ik op de schuine zijde sta
dan ligt ergens in de aarde een loodrechte hoek
vier hoeken maken een panorama van 360 graden
Mensen die op het kermisrad langs de Thames staan, staan daar omdat ze 'op een cirkel willen staan'.
Ook in de grote dichtheid van betekenishoudende woorden of zinnen klinkt die gekunsteldheid door: kuilen in het wegdek van Klein Zandvoorts gedichten zijn 'plotselinge kuilen', dromen zijn niet zomaar dromen, maar 'laatste dromen', 'tonen' zijn gejaagd. Al moet gezegd dat deze stijlvorm binnen de afzonderlijke gedichten wel op zijn plaats is.
Debuut
Dat je de personages als acteurs kan zien, betekent niet dat de waarnemingen en gedragingen geacteerd overkomen. Bovendien is het toonvaste Uitzicht is een afstand die zich omkeert vanwege de beeldrijkheid een weergaloos debuut. Het legt niets uit, maar toont het waargenomene zoals het literatuur betaamt.
Gepubliceerd op 8WEEKLY!
maandag 16 mei 2011
Wiljan van den Akker - Hersenpap
GEEN GEVAAR VOOR HERSENPAP
Hersenpap is de tweede dichtbundel van C. Buddingh'-winnaar Wiljan van den Akker. De bundel is melodieuzer dan zijn voorganger. Je kunt hem in een ruk uitlezen, maar pas op: er staat niet wat er staat.
'Hersenpap' kun je overal krijgen. Stel je heet Wiljan van den Akker en je ziet een oranje zonnewering. Na 'een vuistdikke knoop in de maagstreek', volgt volgens het titelgedicht dan 'een golvend geklots in het oor' en 'een huilerige leegloop / van drassige klonten zompige hersenpap'. Hersenpap is een spontaan gevoel van walging van iets dat de meeste mensen koud laat en waarbij het ook niet duidelijk is waardoor die walging precies wordt opgeroepen. Je moet er niet aan denken.
Intrigerend taalgebruik
Gelukkig is de kans dat de bundel het fenomeen hersenpap opwekt erg klein. Sterker nog, de gedichten zijn melodieus en zijn in ongekunsteld Nederlands geschreven. Hersenpap is een bijzondere bundel in die zin dat hij zich gemakkelijk voor twee soorten lezingen openstelt. Allereerst zijn de gedichten te lezen als anekdotes. Ze gaan bijvoorbeeld over hoe het is om een kind te hebben dat zich steeds zelfstandiger door het huis is gaan bewegen of over het rollen van een grote sneeuwbal en de consequenties daarvan.
Naast deze lezing kan zich een talige lezing aan je opdringen, bijna als een hond die met je wil spelen. Daarmee stuit je bijvoorbeeld op een ogenschijnlijk achteloze toepassing van kleine paradoxen en oxymorons (een stijlvorm waarbij elkaar uitsluitende begrippen worden gecombineerd) waardoor er een veelvoud aan nieuwe interpretaties mogelijk wordt. In 'Zo gaat het' is daar sprake van. 'Je weet het maar al te goed: zo gaat het nu altijd' opent het. De woorden 'nu' en 'altijd' sluiten elkaar uit, en dit is nog maar een van de vele oxymorons in zijn poëzie.
Zo gaat het
Je weet het maar al te goed: zo is het nu altijd.
Uitsluitend en alleen nu.
Op een dag valt het stil en gaat het ergens liggen.
Even kan het zich nooit meer verroeren
voordat het opnieuw in beweging moet komen.
Het is herfst. Het verkleurt. Misschien
is het voedzaam voor schimmels of algen.
Misschien is het winter en koud
blijft het herkenbaar bewaard in zijn vorm
tot het dooit op een keer in een lente.
Of misschien is het zomer en vochtig en warm
zwelt het borrelend op tot het knapt
als pap uit elkaar stroomt en weg loopt.
Daarna zal het vast verdampen, indrogen.
Dan kan het zich laten verspreiden door regens
of door een wind voorbij laten blazen.
Zo gaat het. Zo gaat het verdomme nou altijd.
Je weet het maar al te goed: zo is het nu altijd.
Uitsluitend en alleen nu.
Op een dag valt het stil en gaat het ergens liggen.
Even kan het zich nooit meer verroeren
voordat het opnieuw in beweging moet komen.
Het is herfst. Het verkleurt. Misschien
is het voedzaam voor schimmels of algen.
Misschien is het winter en koud
blijft het herkenbaar bewaard in zijn vorm
tot het dooit op een keer in een lente.
Of misschien is het zomer en vochtig en warm
zwelt het borrelend op tot het knapt
als pap uit elkaar stroomt en weg loopt.
Daarna zal het vast verdampen, indrogen.
Dan kan het zich laten verspreiden door regens
of door een wind voorbij laten blazen.
Zo gaat het. Zo gaat het verdomme nou altijd.
Nu altijd
Dat 'nu' uit de eerste regel kan worden opgevat als een versterkende voorbepaling, waarvan ook in de laatste zin sprake is. Als het een versterkende voorbepaling is, is de hele regel paradoxaal: als iets altijd zo is, hoe kun je dan 'iets maar al te goed' weten? Voor kennis is immers onderscheid nodig en dus een veranderde situatie. Evengoed kan de regel ook om 'het nu' draaien. Dit 'nu' bestaat inderdaad altijd, want het verleden en de toekomst bestaan alleen in ons hoofd.
De nadruk kan ten slotte ook liggen op het woord 'het' dat voor 'nu' komt. Dan gaat het om het ding of concept waar dit lidwoord naar verwijst. In dit gedicht verandert het voortdurend: het valt stil, dooit, borrelt, stroomt en verdampt. Dit 'het' is water. Maar evengoed blijft het gedicht in zijn totaliteit over 'het nu' gaan, over iets dat 'altijd' is.
Kouwenaar
De combinatie van anekdotiek – een verteller die iets zegt over water en 'het nu' – en taalspel in 'Zo gaat het' is exemplarisch voor de overwegend sterke gedichten in Hersenpap. Door de ruime aanwezigheid van paradoxen en oxymorons doet de bundel onwillekeurig denken aan de poëzie van Kouwenaar, waar de Neerlandicus Van den Akker veel pap van moet hebben gegeten. Ook in Van den Akkers poëzie dringt de taal zich aan je op als taal. Doordat in Hersenpap overal sprake lijkt te zijn van een verteller en doordat hij meer anekdotiek en humor bevat, verschilt de bundel van het werk van de grote meester.
De reeks 'Kunst en vliegwerk' is daar een aardig voorbeeld van. Het gaat over het mens-zijn en de beperkingen daarvan. In het derde gedicht uit die reeks 'voelt [iemand] zich goed beroerd / door de goden' en neemt met zijn armen zwaaiend vanaf grote hoogte een sierlijke duik. Even zweeft hij, om zich daarop 'bij nader inzien grondig te pletter' te schrikken. Van den Akker vliegt hiermee bijna uit de bocht, omdat de grap evengoed wat flauw is. Maar gelukkig blijft het niet bij die joligheid. Aan het einde van het vers proeft de persoon 'aarde en bloed, flappert nog wat na, blijft lam / liggen, zakt uiteindelijk weg, diep in de grond.
Dat 'nu' uit de eerste regel kan worden opgevat als een versterkende voorbepaling, waarvan ook in de laatste zin sprake is. Als het een versterkende voorbepaling is, is de hele regel paradoxaal: als iets altijd zo is, hoe kun je dan 'iets maar al te goed' weten? Voor kennis is immers onderscheid nodig en dus een veranderde situatie. Evengoed kan de regel ook om 'het nu' draaien. Dit 'nu' bestaat inderdaad altijd, want het verleden en de toekomst bestaan alleen in ons hoofd.
De nadruk kan ten slotte ook liggen op het woord 'het' dat voor 'nu' komt. Dan gaat het om het ding of concept waar dit lidwoord naar verwijst. In dit gedicht verandert het voortdurend: het valt stil, dooit, borrelt, stroomt en verdampt. Dit 'het' is water. Maar evengoed blijft het gedicht in zijn totaliteit over 'het nu' gaan, over iets dat 'altijd' is.
Kouwenaar
De combinatie van anekdotiek – een verteller die iets zegt over water en 'het nu' – en taalspel in 'Zo gaat het' is exemplarisch voor de overwegend sterke gedichten in Hersenpap. Door de ruime aanwezigheid van paradoxen en oxymorons doet de bundel onwillekeurig denken aan de poëzie van Kouwenaar, waar de Neerlandicus Van den Akker veel pap van moet hebben gegeten. Ook in Van den Akkers poëzie dringt de taal zich aan je op als taal. Doordat in Hersenpap overal sprake lijkt te zijn van een verteller en doordat hij meer anekdotiek en humor bevat, verschilt de bundel van het werk van de grote meester.
De reeks 'Kunst en vliegwerk' is daar een aardig voorbeeld van. Het gaat over het mens-zijn en de beperkingen daarvan. In het derde gedicht uit die reeks 'voelt [iemand] zich goed beroerd / door de goden' en neemt met zijn armen zwaaiend vanaf grote hoogte een sierlijke duik. Even zweeft hij, om zich daarop 'bij nader inzien grondig te pletter' te schrikken. Van den Akker vliegt hiermee bijna uit de bocht, omdat de grap evengoed wat flauw is. Maar gelukkig blijft het niet bij die joligheid. Aan het einde van het vers proeft de persoon 'aarde en bloed, flappert nog wat na, blijft lam / liggen, zakt uiteindelijk weg, diep in de grond.
Gepubliceerd op 8WEEKLY
vrijdag 21 januari 2011
Lieke Marsman - Wat ik mijzelf graag voorhoud
EEN MOOI DEBUUT VAN MARSMAN
Lieke Marsman is nog maar pas droog achter de oren. Dat dit geen barrière is voor een interessant debuut, blijkt uit Wat ik mijzelf graag voorhoud. Het is een coherente bundel die her en der een beetje ruw is, maar op gepolijste vloeren is het makkelijk uitglijden.
In de winter van 2010 was echter al genoeg sprake van gladheid om een punt van te willen maken. Laten we voorbijgaan aan haar voorliefde voor vergelijkingen met 'als', die paar wollige fraseringen, die enkele voorvallen van kinderlijk taalgebruik en dat ene onduidelijke beeld. Een kniesoor die daarover valt. Het sop is de kool niet waard.
Literaire estafette
Ook al schuurt het hier en daar een beetje, Wat ik mijzelf graag voorhoud is een bundel vol mooie, grappige en soms ontroerende vormvrije gedichten die je graag wilt herlezen. De stijl die Marsman veelal hanteert, is noch metrisch, noch erg melodisch te noemen. In veel gevallen doet die stijl wetenschappelijk aan. Haar schrijfwijze lijkt een filosofische redenatietrant, maar is uiteindelijk een vorm van literaire estafette: steeds wordt een woord of onderwerp uit de vorige regel opgenomen in de volgende. Het maakt dat je allengs dieper in die poëzie getrokken wordt. Dat wordt meteen al kenbaar in het openingsgedicht van de bundel:
Ook al schuurt het hier en daar een beetje, Wat ik mijzelf graag voorhoud is een bundel vol mooie, grappige en soms ontroerende vormvrije gedichten die je graag wilt herlezen. De stijl die Marsman veelal hanteert, is noch metrisch, noch erg melodisch te noemen. In veel gevallen doet die stijl wetenschappelijk aan. Haar schrijfwijze lijkt een filosofische redenatietrant, maar is uiteindelijk een vorm van literaire estafette: steeds wordt een woord of onderwerp uit de vorige regel opgenomen in de volgende. Het maakt dat je allengs dieper in die poëzie getrokken wordt. Dat wordt meteen al kenbaar in het openingsgedicht van de bundel:
[...]Het fijne aan geraakt worden
is dat het niet lang hoeft te duren om lang
te blijven duren en het vreemde aan geraakt zijn
is dat het nagalmt en nastampt en toch ben je
er stil van. Het mooie aan het woord stil is dat het
iets zegt over geluid en beweging en het bijzondere
aan geluid is dat het bestaat uit beweging.
is dat het niet lang hoeft te duren om lang
te blijven duren en het vreemde aan geraakt zijn
is dat het nagalmt en nastampt en toch ben je
er stil van. Het mooie aan het woord stil is dat het
iets zegt over geluid en beweging en het bijzondere
aan geluid is dat het bestaat uit beweging.
Vaak verandert de betekenis een beetje, maar dat is te weinig om de interne logica te verstoren. Dat is niet alleen zichtbaar in het 'geraakt worden' en 'geraakt zijn' uit het fragment hierboven, soms is het verschil tussen het begin en het eind van een gedicht groter dan je zou verwachten. Tijdens het lezen heb je maar amper door hoe je afdwaalt van het begin. In die 'afdwalingen' doet Marsman denken aan de onlangs met de Constantijn Huygens-prijs bekroonde A.L. Snijders, die in zijn zkv's (zeer korte verhalen) daarin excelleert.
Het spel dat literatuur is
Dat deze estafettestijl filosofisch aandoet is wellicht niet zo vreemd: Marsman studeert Wijsbegeerte aan de UvA. Niet dat we met die kennis met gekruiste armen achterover kunnen zijgen, en tevreden en besmuikt voor ons uit kunnen knikken. Literatuur is een voorwaardelijke aangelegenheid, doen alsof, een 'jezelf iets voorhouden' dat alleen door te schrijven en te lezen werkelijk wordt.
Dat deze estafettestijl filosofisch aandoet is wellicht niet zo vreemd: Marsman studeert Wijsbegeerte aan de UvA. Niet dat we met die kennis met gekruiste armen achterover kunnen zijgen, en tevreden en besmuikt voor ons uit kunnen knikken. Literatuur is een voorwaardelijke aangelegenheid, doen alsof, een 'jezelf iets voorhouden' dat alleen door te schrijven en te lezen werkelijk wordt.
Anders gezegd, literatuur is een spel en dat lijkt Marsman terdege te beheersen. In het vierdelige titelgedicht neemt ze zichzelf danig op de hak: 'De hele dag draag ik mezelf / boven mezelf uit. // Vlieger, waterkruik, gestorven keizer'. Omdat bijna al haar spullen tweedehands zijn, doet ze daarnaast soms alsof ze arm is en op andere dagen noemt noemt ze die spullen vintage. De zelfspot springt ook op existentieel niveau van het gedicht af: 'Op andere dagen kan ik het donker niet beschrijven, / behalve met het woord: present.' Want ook met het woord 'present' weet ze zichzelf voor de gek te houden: 'In het Engels betekent dat cadeau, bedenk ik me / waarna ik de hele dag gelukkig ben'.
Gepubliceerd op 8WEEKLY
donderdag 26 maart 2009
Erwin Mortier - Voor de Stad en de Wereld, De gedichten tot dusver
EEN ARCHEOLOGIE VAN POËZIE
Erwin Mortier, rond wie door zijn verdediging van Hugo Claus' euthanasie momenteel veel te doen is, staat vooral te boek als een getalenteerd prozaïst. Als dichter is hij evenmin te veronachtzamen: in 2001 ontving hij de C. Buddingh'-prijs. In 2009 verscheen het eerste verzameld werk: Voor de Stad en de Wereld. De gedichten tot dusver,een interessante bundeling met een sterk christelijke inslag.
De bundel heeft een ongebruikelijke volgorde: hij loopt terug in de tijd, en wie hem van voor naar achter leest, bedrijft in zekere zin en zonder het te weten een vorm van archeologie. Als je met de 'taaldetector' van je oog en het kwastje van je wimpers voorzichtig door de tijdslagen bladert, stuit je op de verschillende periodes in Mortiers poëzie. Opvallend is dat veel gedichten uit de verschillende periodes zeer in de Heer zijn. Het gaat dan vaak om de Grote God ten opzichte van de van sterfelijkheid doordrongen mens.
Eschatologie
Vanuit een archeologisch perspectief bezien, liggen in Voor de Stad en de Wereldde tijdsperioden die de bovenlaag maken een beetje door elkaar heen. Het boek bestaat uit gedichten(reeksen) met een sterk thematische samenhang. Zo vangt de bundel aan met de gelijknamige, oorspronkelijk in bibliofiele editie verschenen uitgave uit 2006, waarin alle gedichten van een sterk godsvruchtige en apocalyptische gedachte doortrokken zijn.
Vanuit een archeologisch perspectief bezien, liggen in Voor de Stad en de Wereldde tijdsperioden die de bovenlaag maken een beetje door elkaar heen. Het boek bestaat uit gedichten(reeksen) met een sterk thematische samenhang. Zo vangt de bundel aan met de gelijknamige, oorspronkelijk in bibliofiele editie verschenen uitgave uit 2006, waarin alle gedichten van een sterk godsvruchtige en apocalyptische gedachte doortrokken zijn.
Woel je verder, dan kom je het lange gedicht Terug naar Jeruzalem tegen, dat Mortier schreef voor het Muziektheater Walpurgis bij het Il Combattimento di Tarancredi e Clorinda van Monteverdi. Het is te lezen als de moderne versie van het tragische liefdesverhaal dat zich afspeelt tegen de achtergrond van de eerste kruistocht. Tot slot vind je in de bovenlaag Barbe-Bleue, dat een interessante, psychologische variatie is op Ariadne en Blauwbaard (2007) van de Belgische Nobelprijswinnaar Maeterlinck (die overigens van plagiaat wordt verdacht in de aanbevelenswaardige debuutroman De plaag van David van Reybrouck). Ook Barbe-Bleue is een thematisch geheel, met soms wat groteske uithalen: '- een kiezel (...) doorzichtig als barnsteen / waarin Zijn doden roerloos / grimassen trekken ' of '- hun roerloze vegetatie, / waar het lover druipt van bloed / of dauw', zijn daar voorbeelden van.
Waaruit men niet valt
Wie daarop de spade dieper in het werk van Mortier zet, komt bij de middenlaag, die bestaat uit de bundel Uit een vinger valt men niet (2005). De lezer-archeoloog vindt in deze laag velerlei met religie doordrenkte artefacten. Gedichten als gebeden en miniaturen, zoals '(Gebed) voor de doden en de taal', 'de 'Hadewijch - variaties' en 'Augustinus' belijdenis (veertiende boek)', of als bidprentjes, zoals het 'Jan van Ruusbroec aanbidt het kruis' over een zalig verklaarde mysticus uit Vlaanderenland.
Wie daarop de spade dieper in het werk van Mortier zet, komt bij de middenlaag, die bestaat uit de bundel Uit een vinger valt men niet (2005). De lezer-archeoloog vindt in deze laag velerlei met religie doordrenkte artefacten. Gedichten als gebeden en miniaturen, zoals '(Gebed) voor de doden en de taal', 'de 'Hadewijch - variaties' en 'Augustinus' belijdenis (veertiende boek)', of als bidprentjes, zoals het 'Jan van Ruusbroec aanbidt het kruis' over een zalig verklaarde mysticus uit Vlaanderenland.
In tegenstelling tot zijn latere werk bestaat Vergeten licht, de onderlaag van de bundel en Mortiers poëziedebuut, uit veel op zichzelf staande gedichten. Het is het meest neutrale onderdeel van deze bundeling, omdat de lezer zich niet steeds uiteen hoeft te zetten met Mortiers geloofsovertuiging - waarover geen kwaad woord(!) - die de andere opgenomen bundels doorwasemt. Zijn denkbeelden zijn goeddeels slechts tussen de regels aanwezig.
Vergeten licht bevat ook Mortiers sterkste gedichten. Schering en inslag zijn regels als: 'Nu moet ik haar verlaten. Vertrouwen / dat de aarde haar even moederlijk ontmantelt, / zorgzaam haar sjaal aanneemt, haar schoenen / uittrekt' en 'Het licht zou blind zijn zonder ons / om te zien'. Na diep delven spreekt hier eindelijk de taal zelf.
Voor de Stad en de Wereld biedt een interessante doorloop van zijn poëzie en geloof. Wie door de lagen van Mortiers bundel afdaalt, vindt in Vergeten licht dekeiharde 'rockbottom of poetry'. Een goede keuze dus om met die bundel af te sluiten.
Gepubliceerd op 8WEEKLY
zaterdag 7 maart 2009
Ester Naomi Perquin - Servetten halfstok
KLANKRIJKE, PROZAÏSCHE VOLZINNEN
In 2007 debuteerde Ester Naomi Perquin (1980) met Servetten halfstok. Het werd genomineerd voor de C. Buddingh'—prijs, bekroond met de debuutprijs van Het Liegend Konijn 2007 en de Eline van Haarenprijs 2008. Zowel de nominatie als de prijzen waren een zoete winst en een belofte voor later. Op Gedichtendag 2009 is Perquins tweede bundel Namens de ander gepresenteerd. Hij valt bepaald niet tegen.
In 2007 debuteerde Ester Naomi Perquin (1980) met Servetten halfstok. Het werd genomineerd voor de C. Buddingh'—prijs, bekroond met de debuutprijs van Het Liegend Konijn 2007 en de Eline van Haarenprijs 2008. Zowel de nominatie als de prijzen waren een zoete winst en een belofte voor later. Op Gedichtendag 2009 is Perquins tweede bundel Namens de ander gepresenteerd. Hij valt bepaald niet tegen.
De bundel is strakker gecomponeerd dan haar debuut (zie bijvoorbeeld 'Waar servetten vlaggen worden'); het leeuwendeel van de gedichten in Namens de ander heeft betrekking op het psychologische thema van het vrezen. Dat dit opzet is, blijkt uit een interview met Wim Brands bij De Avonden. Daarin geeft Perquin aan een veel samenhangender werk te hebben willen samenstellen dan Servetten halfstok. De samenhang in de bundel is gecomponeerd rondom het centrale thema van de angst of fobie.
Vrees
Die angsten of fobieën zijn in het overgrote deel van de gedichten uit Namens de ander terug te vinden; achter titels als 'Plein', 'Smet' of 'Hoogte' hoef je alleen maar het woord vrees te denken. Een expliciet voorbeeld van zo'n met angst doortrokken gedicht is 'Oponthoud':
Die angsten of fobieën zijn in het overgrote deel van de gedichten uit Namens de ander terug te vinden; achter titels als 'Plein', 'Smet' of 'Hoogte' hoef je alleen maar het woord vrees te denken. Een expliciet voorbeeld van zo'n met angst doortrokken gedicht is 'Oponthoud':
Met onweer heeft dit niets te maken - je verwacht de klap,
meet angsten af aan de manier waarop je in de wirwar
van adviezen onder de bomen bent beland.
meet angsten af aan de manier waarop je in de wirwar
van adviezen onder de bomen bent beland.
Dan is er nog het rommelige telraam van je hoofd,
wat als je de uitkomst niet eens haalt, de kans
op inslag je verdooft, je huiverend blijft staan
onder dat krakkemikkig bladerdak en alles
in een fractie toe kan slaan?
wat als je de uitkomst niet eens haalt, de kans
op inslag je verdooft, je huiverend blijft staan
onder dat krakkemikkig bladerdak en alles
in een fractie toe kan slaan?
Daar gaat het lichaam, op de vlucht. De hartslag
telt straks pas voor pas de afstand
tot zijn oorzaak terug
telt straks pas voor pas de afstand
tot zijn oorzaak terug
Zet een bundel vol met gedichten als het bovenstaande en hij wordt al gauw tweedimensionaal; het thema ligt er dan te dik op. Dit is gelukkig niet het geval inNamens de ander. Perquins bundel is gedifferentieerd en niet in alle gedichten is het thema (evident) aanwezig. In 'Schilder/ geschilderde' zou je zelfs buiten het thema om kunnen denken. Hierin lijkt een schilder te zien die zich met zijn zelfportret uiteenzet.
Alles zo toonbaar geleken, zo weer te geven in
het lege dat erachter lag te wachten en nu dit:
het lege dat erachter lag te wachten en nu dit:
recht in je stoel in je jurk raak je me vreemd,
straks zul je ineens spottend zeggen: laat dat,
straks zul je ineens spottend zeggen: laat dat,
zo heb ik geen deel aan je blik, de gedachte aan
mijn handen vlakt mijn handen alvast uit, kom
mijn handen vlakt mijn handen alvast uit, kom
laten we heel langzaam opstaan en dan eens zien
wat er blijft. Onder mijn voeten loopt evenzogoed
wat er blijft. Onder mijn voeten loopt evenzogoed
een loodrechte lijn door de tijd, je pas tot stand
gebrachte mond buigt alweer om naar een lach en ik
gebrachte mond buigt alweer om naar een lach en ik
vervaag je als altijd onmachtig, half plagend, steeds
bloos je als een baken door mijn streken heen.
bloos je als een baken door mijn streken heen.
Betekenisvelden
In klankrijke, prozaïsche volzinnen, slechts onderbroken door enjambementen, beweegt Perquin door haar verzen. De poëtische kracht van haar gedichten schuilt niet alleen in de beeldende, maar ook in de adaptieve kracht van haar taalgebruik: de verschillende betekenisvelden van haar gedichten gaan neigen vaak in elkaar op te gaan.
In klankrijke, prozaïsche volzinnen, slechts onderbroken door enjambementen, beweegt Perquin door haar verzen. De poëtische kracht van haar gedichten schuilt niet alleen in de beeldende, maar ook in de adaptieve kracht van haar taalgebruik: de verschillende betekenisvelden van haar gedichten gaan neigen vaak in elkaar op te gaan.
Zie bijvoorbeeld het hierboven geciteerde 'Schilder / geschilderde': 'Onder mijn voeten loopt evenzogoed // een loodrechte lijn door de tijd, je pas tot stand / gebrachte mond (...)'. In deze drie regels komt het voortschrijden van de tijd, lopen of stilstand ('voeten' en 'je pas tot stand') en het schilderen ('je pas tot stand / gebrachte mond') aan de orde. Die betekenisvelden zijn onafhankelijk van elkaar te lezen of op elkaar te betrekken, bijvoorbeeld onder de noemer van de voortgaande tijd. Het lezen van haar gedichten wordt zo een intrigerende activiteit.
Dat uitgeverij Van Oorschot jonge aanwas van dit kaliber heeft aangetrokken voor haar kwalitatief hoogstaande, maar vergrijzende fonds, moet voor diegenen die de uitgeverij zijn toegenegen een geruststelling zijn. Namens de ander is een belofte waargemaakt.
Gepubliceerd op 8WEEKLY
vrijdag 11 april 2008
Mark Boog - Het eigen oor: Een keuze uit de gedichten
MARK BOOG NU AL VERZAMELD
Mark Boog, bekend om zijn sprankelende taalgebruik, is een van 's lands snelst producerende schrijvers. Acht jaar geleden debuteerde hij metAlsof er iets gebeurt, daarna volgden nog vijf bundels en drie romans. Voor zijn werk werd Boog bekroond met twee belangrijke poëzieprijzen in Nederland, de Buddingh-prijs voor zijn debuutbundel en de VSB-prijs voor De encyclopedie van de grote woorden. De recent uitgekomen bloemlezing uit zijn werk komt dus niets te vroeg.
Naast een keuze uit de poëzie die bij Uitgeverij Cossee uitkwam, is Het eigen oor: een keuze uit de gedichten aangevuld met twee bundels die bij bibliofiele uitgevers in beperkte oplage zijn verschenen. Ook is onder de titel Toekomstige gedichtenongebundeld werk opgenomen. Alsof dat nog niet genoeg is, is aan de bloemlezing ook een cd toegevoegd van Boogs band Poetry in Motion, waarop de dichters voordracht voortreffelijk wordt verenigd met popmuziek. Het eigen oor biedt een goede dwarsdoorsnede van Boogs werk en is, zeker met alle extra's, een prachtig eerbetoon aan zijn intrigerende poëzie.
Dwarsig
Het eigen oor heeft vooral als voordeel dat Boogs ontwikkeling als dichter goed zichtbaar wordt. Zowel op thematisch als stilistisch gebied is er een duidelijke tendens in zijn poëzie waar te nemen. In het vroegere werk, met name in Alsof er iets gebeurt (2000) en Zo helder zagen we het zelden (2002), wordt de lezer het kansloze karakter van alles akelig gewaar. In die gedichten wordt keer op keer benadrukt dat er misschien beweging mogelijk is, maar bij nader inzien toch niet: de dichter denkt wel, maar doet niets; de dichter wil wel, maar kan het niet; de dichter droomt, maar weet als een Oblomov niets waar te maken.
Het eigen oor heeft vooral als voordeel dat Boogs ontwikkeling als dichter goed zichtbaar wordt. Zowel op thematisch als stilistisch gebied is er een duidelijke tendens in zijn poëzie waar te nemen. In het vroegere werk, met name in Alsof er iets gebeurt (2000) en Zo helder zagen we het zelden (2002), wordt de lezer het kansloze karakter van alles akelig gewaar. In die gedichten wordt keer op keer benadrukt dat er misschien beweging mogelijk is, maar bij nader inzien toch niet: de dichter denkt wel, maar doet niets; de dichter wil wel, maar kan het niet; de dichter droomt, maar weet als een Oblomov niets waar te maken.
In Luid overigens de noodklok (2003) en De encyclopedie van grote woorden (2005) is van die lusteloosheid in mindere mate sprake. In die eerste bundel bijvoorbeeld is een herschrijving van het gepassioneerde Hooglied terug te vinden die de oorspronkelijke Bijbeltekst eer aan doet. De dichter wordt allengs assertiever: hij 'kiest' en 'doet' en is minder gedistantieerd van zijn onderwerpen. In Landmanwordt Boogs poëzie zelfs wat dwarsig. Daarin zijn de gedichten als scènes uit een (verder niet ontsloten) verhaal te lezen, waar wel wat gewild en gedaan wordt, zij het op enigszins bescheiden schaal.
Twee elementen kenmerken Boogs stijl over de hele linie, al zijn ze in zijn latere werk meer geïntegreerd met andere stijlkenmerken: de omdraaiing van de logische woordvolgorde en het met enige regelmaat ontbreken van (werk)woorden. Een aardig voorbeeld van deze stijlelementen is in Alsof er iets gebeurt te vinden. In het gedicht 'Zinloosheid 2' staat er: 'IJl de kerk, gewichtloos het dak, / en hoog, hemelhoog het licht, / bijna doorzichtig'. Dit levert een haperend lezen op. Het is alsof de dichter hort, stottert haast, een diaprojector is waar de opgeroepen beelden in de gemankeerde zinnen elkaar als dia's opvolgen. Een willekeurige ander zou de zin als volgt kunnen hebben opgeschreven: 'De kerk is ijl, het dak is gewichtloos en hoog, het licht is er hemelhoog en bijna doorzichtig'.
Dat mag natuurlijk ook poëtisch heten, maar het gevoel dat de herschrijving oproept is anders ten opzichte van het origineel. Deze hakkelende schrijfwijze kan je aanzetten tot een actieve betrokkenheid bij het gedicht. Tot het in detail willen weten hoe de afzonderlijke beelden samenhangen, hoe het licht valt, hoe de bouw van de kerk is, hoe hoog de hemel is en ga zo maar door, totdat de wereld van het gedicht in zijn geheel aan je geestesoog is ontloken.
Grote woorden
Het kan een risico zijn van een veelschrijver dat hij zich vergaloppeert. Daaraan lijkt Boog niet altijd te ontkomen. Bepaalde stijlkenmerken komen wel erg regelmatig terug en ook worden soms te grote woorden gebruikt: 'gelukkig ongelukkig' lezen we ergens en 'grote ogen'. Wie een bundel heeft die De encyclopedie van de grote woorden als naam draagt – met elk gedicht daarin een groot woord als de titel, zoals Dood, Natuur, Waarheid – moet dit niet als een vrijbrief zien ze in zijn gedichten toe te passen.
Het kan een risico zijn van een veelschrijver dat hij zich vergaloppeert. Daaraan lijkt Boog niet altijd te ontkomen. Bepaalde stijlkenmerken komen wel erg regelmatig terug en ook worden soms te grote woorden gebruikt: 'gelukkig ongelukkig' lezen we ergens en 'grote ogen'. Wie een bundel heeft die De encyclopedie van de grote woorden als naam draagt – met elk gedicht daarin een groot woord als de titel, zoals Dood, Natuur, Waarheid – moet dit niet als een vrijbrief zien ze in zijn gedichten toe te passen.
De grote woorden in Boogs gedichten overheersen zijn poëzie gelukkig niet en soms dragen ze alleen maar bij aan de leeservaring omdat Boog ermee aan de haal gaat. Dankzij de spannende thematiek, de krachtige beelden en frisse woordkeus is het lezen van Mark Boogs uit de voegen barstende Het eigen oor: Een keuze uit de gedichten meer dan de moeite van het lezen waard.
Gepubliceerd op 8WEEKLY
Abonneren op:
Posts (Atom)