Dat vroeg ik hem niet!
Na de gloriejaren van Rudy Kousbroek en Karel van het Reve lijkt een renaissance voor het essay aangebroken. Nu is het essay nooit helemaal weggeweest, maar uitgevers durven het steeds vaker aan relatief onbekende buitenlandse essayisten te publiceren.
Misschien
aangewakkerd door Stéphane Hessels succesvolle Neemhet niet!,
zagen recentelijk Robert Menasse's DeEuropese Koerier
en het veelbesproken Lofvan het rommelige leven
van Katie Roiphe het licht. En in de slipstream van Joost Zwagermans
Americana,
dat over het culturele erfgoed van de Verenigde Staten gaat, werd
onlangs de essaybundel Pulphead
van
John Jeremiah Sullivan gepubliceerd.

Overeenkomstig
met de hierboven genoemde essayisten benadert Sullivan zijn
onderwerpen met de pen van de romancier. Als zijn personages aan het
woord komen, lijkt het alsof je erbij bent. In TheNew Yorker prijst
James Wood, in Nederland vooral bekend van het schrijversboek Hoe fictie werkt,
in een bespreking van de essaybundel de manier waarop Sullivan met
zijn taalgebruik in de personen die hij beschrijft tot leven brengt.
Wood plaatst Sullivans stijl tussen die van Tom Wolfe en David Foster
Wallace – niet de minsten.
Deze
combinatie van de essayist en de prozaïst is paradoxaal, maar ook
gevaarlijk. Paradoxaal omdat je nu eenmaal literaire middelen nodig
hebt om een verhaal goed te vertellen, en gevaarlijk omdat de fictie
de werkelijkheid kan overnemen. Bij het essay heb je vaak het idee
dat wat wordt beschreven echt gebeurd is, maar bij Sullivan
verschijnt de prozaïst soms ten tonele wanneer hij dialogen of zelfs
personages verzint. Wat is dan echt, kun je je afvragen – maar
misschien is Sullivan niet op zoek naar authenticiteit, maar ook naar
visies op de waarheid.
Neem
het essay waarin hij 'de werkelijkheid' aan de hand van het fenomeen
van de TV
reality show celebrity
onderzoekt.
Sullivan gaat een avond 'clubben' met The Miz, een celeb
uit de door hem trouw gevolgde TheReal World (MTV),
die
leeft van zijn betaalde aanwezigheid bij publieke plekken. Na een
poosje met hem en zijn fans te hebben gehangen, vraagt hij aan The
Miz of hij niet bekaf wordt van dat jachtige leven. Mike (The Miz)
antwoord dat als je het bij nuchtere drank houdt en niet mixt, het
wel goed komt.
''En
je ziel dan?' vroeg ik, 'Trekt het geen zware wissel op je ziel?'
Hij
tuurde naar zijn glas.
Lachen!
Dat vroeg ik hem niet.‘
Het
is een vraag die je niet stelt, het is dé vraag die het hele bouwsel
van de onechtheid onderuit kan trekken. Die wanneer je hem wel stelt
ontzettend ouderwets klinkt en weggehoond wordt omdat er serieus over
nadenken te gevaarlijk is. Aan de andere kant, hád hij hem maar gesteld - het had waarschijnlijk iets werkelijk interessants opgeleverd.
Ondanks zijn vaak
scherpe observaties is Sullivan uiteindelijk toch eerder een
verteller dan een waarnemer. Voor de deur van de nachtclub staat een
afvalcontainer waar 'een inwoner' met witte spuitverf iets op gekalkt
heeft. Dat het een inwoner zou zijn geweest, is een
interpretatiekwestie. Dergelijke duidingen maken Sullivan enigszins
onbetrouwbaar, omdat het soms onduidelijk is wat de schrijver weet
en
wat hij verzint. Bovendien is de schrijfstijl soms wat ongepolijst.
In een essay over Axl Rose komen we een driedubbele beschrijving
tegen: 'Axl en de jongens waren nog niet geland. Ze vlogen nog door
de lucht.'
En
toch en toch, je blijft lezen. Ik vergat bijna een koffieafspraak,
mijn woonkamer had een zoom van boeken waarin ik even een bergleeuw
leek te horen, zoals in dat essay over de christelijke jeugd-scene
bij Creation in de heuvels van Pennsylvania, het grootste
christelijke muziekfestival van de Verenigde Staten. Of zie ik er de
blokhut in van zijn stokoude mentor, de schrijver Lyte waar Sullivan
een poos bij in woonde. Kortom, de essays zijn niet allemaal
puntgaaf, maar het lezen meer dan waard.
Gepubliceerd in de Boekenkrant!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.