zondag 17 februari 2013

Henk Ester - Bijgeluiden

Over de bomen lopen van de wind

Henk Ester is met Bijgeluiden een debutant met heerlijk helder taalgebruik en afgemeten teksten. Een denker met een licht romantische inborst.

Een ruime helft van de gedichten in deze bundel is prozaïsch en essayistisch, wat de poëzie een sterk Borgesiaanse inslag geeft. Maar hoewel Ester net als Borges als een denkende dichter kan worden getypeerd, is zijn werk van minder mythische aard.


Het over de bomen lopen van wind
Onderwerpen die Ester in zijn bundel voorbij laat komen zijn eerder cultureel-historisch of poëticaal, of gaan over het tegenwoordig weinig bedichte thema van de muziek – de Poëzieweek van 2013 daargelaten. De soms bezielde beschrijvingen van de natuur roepen zo nu en dan associaties op met de 'bezielde' natuurlyriek van Chr.J. van Geel, zoals in met name de laatste strofe van het onderstaande gedicht.

Stoomorgel

Bijgeluiden
niet gebundeld, ongeletterd
spreken weinig mensen
zeker geen bomen
verwaaien, sterven weg

van exploderende stoomorgels
is zelfs geen ruis gesignaleerd
en van een racevlieg op de hei
heeft niemand iets gehoord

maar

als niemand de ernst langs
lijnen landgewei of hoort
de eik in stemgeluid

als niemand afstand neemt of
hoogte houdt om de luister van
een hei te leren

Dichterlijkere gedichten
De tweede helft van de bundel is 'dichterlijker'. Die gedichten zijn compacter en hermetischer. Sommige daarvan raken helaas wel sterk aan wat doorgaans doorgaat voor poëzie, zoals een gedicht dat bestaat uit reeksen allitererende woorden of één waarin elke strofe begint met een bepaalde frase of woord. Zoals in het gedicht 'Kijken', waarin driemaal het woord 'opkijken' de terzetten aanvoert. Waren deze meer voorspelbare 'rituele' gedichten weggelaten, dan had Bijgeluiden een evengoed stevig, maar imponerender debuut opgeleverd.



Het boeiende aan Bijgeluiden zit mede in de urgentie van deze bundel. Je kunt hem lezen als een pleidooi voor een pas op de plaats, voor het gebruik van je zintuigen en het in je opnemen van de zinnelijke wereld. Het gaat Ester om wat zich buiten onze preoccupaties bevindt: daar ervaar je het gevoel van levend-zijn. Hiermee toont zich een verwantschap met Sybren Polet (genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2013)Met hem heeft Ester overigens ook de omarming van een wetenschappelijke dictie gemeen, al gebruikt Ester die maar zo nu en dan. En ook bij Polet is de natuur een plek waar je het bloed weer door je aderen kunt voelen stromen.


Hoop
De natuur zet Ester naast stedelijke en mechanische werelden. Zo komt zijn thuisbasis Utrecht naar voren uit zijn notoir stinkende kelders en het gesneuvelde middenschip van de Domkerk. Of de gemechaniseerde Maasvlakte: 'Dit is niet gemaakt om gehoord te worden / als lopend godsbewijs'. Net als natuur is ook de cultuur is iets wat zich bezijden onze beslommeringen bevindt, en de dreiging van culturele teloorgang laat Ester evenmin koud:

       Maar wat nu als het kunstmatig brein het denken heeft 
gemarginaliseerd, de Afrikaanse olifant is uitgeroeid,
welluidende melodieën de dissonanten hebben weggevaagd?
Kortom, als er geen redden meer aan is. 
Wie vertelt dan hoe de Romeinen reageerden op de glimlach 
van een saxofonist.
Ester schrijft niet zonder ironie: de sax is van latere tijd. Wellicht tekent deze zin de onwetendheid van latere amper cultureel onderlegde generaties.

Wie leest
over vijfhonderd jaar Lamento van Campert
totaal witte kamer van Kouwenaar,
Yann Andréa Steiner van Marguerite Duras?

De paradox wil overigens dat in maar weinig gedichten in Bijgeluiden niet gerefereerd wordt aan kunstenaars en/of hun werken: daarmee doet Ester niets anders dan die kunst en kunstenaars levend houden. Juist dankzij Esters lamentatie is er hoop.

Gepubliceerd op 8WEEKLY. 

dinsdag 22 januari 2013

Geen recensie



HIT AND RUN

Al maanden wilde een niet nader genoemde dichtbundel zich niet laten recenseren. Het is wat.

Het is wat, een werk dat al maanden op je recensie ligt te wachten. Al gauw wordt het een nietsig stapeltje papier dat voor de vorm tot paperback geplakt is en met een heenspoedende urgentie waar de vergankelijkheid nog een puntje aan kan zuigen. Waarom dan niet die recensie?

Snoeiafval
In mijn geval mag ik wellicht een verbouwing aandragen, een welkom excuus dat mijn aandacht van het schrijven van de recensie afhield. Daarna volgde een verhuizing, het eindeloos heen en weer schuiven van meubilair, het her en der installeren van gordijnen, ophangen van een enkele closetrolhouder, het afvoeren van snoeiafval (en in het proces aanvragen van een kliko), kortom: ik haalde met grote teugen de burgerlijkheid mijn voordeur binnen. Nog even en ik stem VVD.

Echt waar dus, die verbouwing
Nou nee. Wie aan het einde komt van zo'n omvangrijk en energieslurpend proces heeft eerst zijn vrienden uit te nodigen, en de families van weerszijden en ook niet onbelangrijk je met de buren te verzoenen die maanden met hun vingers in de oren hebben gezeten vanwege de herrie. Je legt dan uit of laat zien dat het een proces was waarbij het geld als water door de handen viel, waarbij alles langer duurde dan je dacht (zelfs als je dacht dat het langer zou duren dan je dacht) en alles meer tijd nam dan je inschatte. Dat je geen excuus had om je met andere zaken bezig te houden.

Noodzakelijke dingen
Kortom, je hield bij zo'n proces minder tijd over voor gewichtige en noodzakelijke dingen, van zeg: het schrijven van een recensie. Echter, aan het einde van zo'n proces sluipt langzamerhand de realiteit terug. Een beetje zoals een aanvankelijk schuchtere buurtkat, die na weken paaien pas een aai duldt. Alsof het kreng niet ruikt dat ik in maar zelden mijn nagels scherp.

Die buurtkat zit inmiddels in de hoedanigheid van laptop op mijn schoot. Ik heb hem niet op de stroom aangesloten, ook al is de batterij bijna leeg. Voor het animaal in slaap sukkelt zal en moet het stuk geschreven zijn. Ik heb mij een poosje afgevraagd hoe het toch kwam dat het recenseren van de niet nader omschreven bundel zo tegen heeft gestaan. (Niet nader omschreven, want wie heeft wat aan een persoonlijk stuk, als wat telt een recensie is.) Tot ik zojuist de recensie van Piet Gerbrandy in een oude, meeverhuisde Groene las.

Hit and run
Ik komt tot vrijwel dezelfde conclusie als Gerbrandy. De bundel doet aan als poëzie, maar is dat 'al lang niet meer'. De bulk van de gedichten doet qua vorm en inhoud aan als poëzie die vanaf de Vijftigers in den lande is geschreven. De zoektocht naar het wit in de poëzie (en dit expliciterend in opzichtige enjambementen die Kouwenaar en Favery voorbijschiet) mag dan nog steeds geen conclusie hebben, een originele insteek is wel degelijk gewenst.

Het is droevig je te realiseren dat de dichter zich na een tiental stille jaren klaar achtte voor een derde bundel en dan als epigoon naar buiten komt. Ik hoop maar dat dit werk eruit geperst moest worden om een vierde werk tot een schitterend en alles verzengend licht te doen oplaaien. Het is een laffe daad: een negatief stuk te schrijven, 244 woorden besteden aan je eigen irrelevante wedervaren, zonder concreet in te gaan op het werk in kwestie en een collega criticus te be-ja-en. Je staat als auteur machteloos. Geloof me, hit and run. Maar beter niet schrijven die recensie, waarvan akte.

maandag 23 juli 2012

Patrik Ouredník - Europeana

Achtendertig kilometer soldaat


Patrik Ouredník's Europeana is een zeer korte geschiedenis van de twintigste eeuw en laat zien dat er zoiets bestaat als een midden tussen humor en historie. Op een uitglijder na.

Je kunt een auteur als Judt lezen en je overladen met historische feitelijkheden, het ene nog schokkender dan het andere, het andere nog verbazingwekkender dan het ene, maar geen geschiedkundig boek over de twintigste eeuw is zo prangend en absurdistisch als dat van Ouredník.

Rollarcoaster Strikt hyperbolisch gezien, verschilt de compositie weinig van Jeroen Mettes' impressionistische N30. Het is weliswaar samenhangender, wat de betekenisoverdracht ten goede komt, maar Europeana blijft een associatieve rollarcoaster, een anachronistische kruising tussen estafetteloop en Monty Pythonsfunny walks.

Zo begint het boek met de landingen in Normandië, springt een twintigtal jaar terug de tijd in naar WOI, om vervolgens via de eeuwwisseling van 1900 en de vrouwenemancipatie van begin 20ste eeuw naar de eeuwwisseling van 2000 te gaan. Ouredník's werk biedt een rijke schakering aan wat zich voornamelijk in de marge van de grote gebeurtenissen van de 20ste eeuw heeft afgespeeld. 'Natuurlijk' komen in dat proces ook de Joodse kwestie, de jehova's, het einde van de wereld, Cultural Memory, neuroses, depressies en de oorlog in Kosovo aan de orde. Het boek is daarmee een must voor weetjesvorsers en beoogde quizkampioenen.

Achtendertig kilometerAlsof een schooljongen aan zijn ouders uitlegt wat hij op school geleerd heeft, stipt Ouredník zijn onderwerpen aan. Zoals het boeddhisme en het taoïsme, twee stromingen die in de twintigste eeuw veel aanhangers kregen en 'die op de gong sloegen en via het middenrif ademhaalden en over yin en yang spraken en mystieke boeken schreven en zeiden dat de wereld voor raadselen zat, maar dat was slechts schijn, omdat in werkelijkheid alles in harmonie met elkaar was'.

Het zal niet verwonderlijk klinken dat het lezen regelmatig een een lach uit je strottenhoofd kan doen opklinken. Soms is Ouredník geestig tegen het flauwe af, soms hanteert hij een tot op het bot snijdend cynisme en een sarcasme dat Malaparte naar de kroon stoot. Zo opent hij met dat als je de in 1944 te Normandië gesneuvelde Amerikanen (met hun gemiddelde lengte van 1.73cm) achter elkaar zou leggen, ze samen een lengte van achtendertig kilometer hebben. Of dat militairen in WOI dankzij de vlooien hun leven in gevaar brachten, omdat de vijand ze kon horen krabben.

Danig uit de bochtHet anekdotische gehalte van Europeana en de absurdistische wijze waarop Ouredník met de feiten omspringt, laat zien dat het hem vooral te doen is om het geven van een scherp kritisch, maar aanstekelijk commentaar. De combinatie echter tussen het bovengenoemde cynisme en zijn niet geannoteerde historische verhaal heeft echter niet altijd een gelukkige uitkomst. Die combinatie leidt soms tot zeer boude uitspraken die met een notensysteem beter tot hun recht waren gekomen.

'Het aantal slachtoffers van de Armeense genocide werd geschat op anderhalf tot twee miljoen, maar volgens de Turken was de Armeense genocide geen echte genocide, en de meeste joden vonden dat ook'. Hoewel het mogelijk een uitspraak is geweest van het Joodse Wereldcongres van 1985 dat bij een soortgelijke uitspraak elders in het boek wordt genoemd, heeft er teveel ellende plaats gevonden om iets op een dergelijke generalistische wijze stellen. De uitspraak kan evengoed zeer sarcastisch bedoeld zijn, maar zij is grof en nietszeggend; zónder met onweerlegbaar bewijs te komen. Het is jammer dat Ouredník, die regelmatig het afschuwelijke Joodse lot in én rondom WOII in beeld brengt, hier niet zorgvuldiger mee is omgesprongen, in zijn verder zeer kritische doorloop van de 20ste eeuw.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

zaterdag 14 juli 2012

Joost Nijsen - ABC van de literaire uitgeverij

Een hoge wapperfactor

Podium-uitgever Joost Nijsen schreef een ABC van de literaire uitgeverij: een lichtvoetig boek met een hoge wapperfactor.

Joost Nijsen


Een van de meest speelse vormen van non-fictie is het abecedarium. Op even lichtvoetige wijze als  schaatsenrijders (Gerris lacustris) behandelt Nijsen per letter van het alfabet lemma's die te maken hebben met de literaire uitgeverij. Deze lichtvoetigheid betekent niet dat de behandelde onderwerpen geen bodem hebben.

C-titels
Neem 'Aanbieding', het eerste lemma van Nijsens ABC, dat een behoorlijke knuppel in het idyllische hoenderhok is van het romantische uitgeverijbeeld. In dat lemma maakt Nijsen onderscheid tussen drie typen titels die uitgeverijen bij boekhandels aanbieden: A-, B- en C-titels. Het eerste type titel is de bestseller. Het tweede is een titel die inhoudelijk belangwekkend is, maar niet de grote omzetten maakt van een A-titel. C-titels ten slotte zijn twijfeltitels, boeken waar uitgevers noch commercieel, noch inhoudelijk in geloven.

Deze titels worden in de regel niet uitgegeven, maar sommige uitgevers nemen ze wel degelijk op in hun aanbieding: 'dan heeft de boekhandel een boek om in verkoopgesprekken over te slaan' en komt er extra beweging in de titels waarin de uitgever wél gelooft. Nijsen hoopt dat de auteurs dit type boeken hun cynische boekenlot nooit te weten zullen komen. Maar je mag toch eigenlijk hopen dat niemand überhaupt tot die categorie zal behoren.

Wapperfactor
Gelukkig is het niet alleen shock and awe wat de klok slaat. Het gaat ook over de verschillende soorten werk van de redacteurs, over hoe buitenlandse titels op de Frankfurter Buchmesse worden ver- en aangekocht, over het starten van een uitgeverij, over het uitgeven in eigen beheer, over de toename van freelancewerk in de sector, over digitale publicaties, contracten en omslagen. Bij het lemma 'boek' gebruikt Nijsen een definitie van de Unesco: 'a non-periodical literary publication containing forty-nine or more pages, not counting the covers'. Volgens Nijsen mag het ook best 48 bladzijden bevatten, al zijn er duizenden definities mogelijk, waaronder waarschijnlijk minder literaire.

 Grappige weetjes gaan over de Franse titelpagina – dat woord is met de Franse slag afgeleid van 'voorhandse' en heeft niet met onze mede-Europeanen te maken. Het gaat over de beauty and brains die volop in uitgeversland vertegenwoordigd zijn. Het opmerkelijkste, waarschijnlijk belangrijkste lemma is dat van de 'Wapperfactor': hoe lekker het in de hand ligt, hoe lekkerder je ermee kunt wapperen. Neem het boek van Nijsen ter hand, een heerlijk boek voor warme dagen!

Voor in een koffertje
Als we de inleiding even vergeten, begint Nijsen bij A van 'Aanbieding' en eindigt hij bij de Z van 'Zelf-uitgeven'. Gezien de ontwikkelingen in het boekenvak is dat wellicht een onbedoeld profetische keuze. Waartoe heeft Nijsen dit boek geschreven? Als een saluut aan de uitgeverij zoals we die nu kennen? Is het een in memoriam van wat al reeds voorbij is? Voor niemand – want wie zal in de toekomst nog in de wereld van de uitgeverij werken? Voor ieder individu dat zelfstandig zijn boek zal uitgeven?

Vragen waar de toekomst vooral antwoord op zal geven. Nijsen heeft in ieder geval op persoonlijke en anekdotische wijze een heldere, inzichtelijke en geestige introductie op het boekenvak geschreven. Niet alleen leken, maar ook rotten en intimi zullen ermee met een andere blik naar de uitgeefwereld kijken. Het is een prima boek als lichte kost bovendien. Misschien past het voor van de zomer nog wel ergens in een koffertje.

Gepubliceerd op 8WEEKLY.

dinsdag 26 juni 2012

Madnes festival 2012



Wow(!) nog heel even: van 30 juni t/m 2 juli optreden tijdens het superleuke festival Madnes, o.m. samen met Sophia Maria met een dans-en-poëzie-jam! Komt allen (ook u Zon)!

Foto: Ivo Oosterbaan
www.madnesfestival.nl



Jan Lauwereyns - De willekeur


WAT EEN WILLEKEUR


Van de VSB Poëzieprijswinnaar 2012 Jan Lauwereyns verscheen onlangsDe willekeur. Een bundel die zijn naam op verschillende manieren eer aan doet.

De bundel opent sterk met de eerste afdeling, 'Tohoku' genaamd, naar de aardbeving van Tohoku in 2011. Die leidde tot golven van hoger dan 40 meter en als gevolg daarvan tot de tsunami die bij velen nog op hun netvlies is geëtst.

Lief patiëntje
Het gedicht 'In C' (wellicht een beetje een flauwe titel), het enige gedicht in 'Tohoku', gaat over hoe een tsunami aan land komt. Het is het water dat vertelt:

Ik kwam aan wal ik dacht
het hele dorp gaat zwemmen

ik zag een patiëntje met alzheimer
drijven op haar bed haar ogen

wijdopen ze dreef met mij mee
zij dacht ik klopte ik wat voorspeld

zij dacht inderdaad de zee op straat
huizen dansen wagens wiegen

honderd jaar geleden en opnieuw
tot en met de derde verdieping

of hoger ja wat dubbel dit water
ja grote nieuwe watermuur

ik kwam aan wal ik gleed ik viel
op droge grond ik val je ogen dicht

lief patiëntje het hele dorp
gaat slapen slaap zoetje zacht.

Op de punt aan het einde van het gedicht na, ontbreken de leestekens. Lauwereyns heeft de vorm goed gekozen: de woordenstroom heeft geen dammen om hem in te perken, ongecontroleerd komt hij op het lezersoog aan.

Grimmiger
In het openingsgedicht klinkt het grondthema van de bundel door: willekeur – de dichter heeft de titel welbewust gekozen. Dit thema maakt de bundel grimmiger dan Lauwereyns' eerdere werk. Het uit zich door de bundel heen in diverse contexten. De willekeur toont zich onverschillig ten opzichte van de slachtoffers van oorlog en terreur of is aanwezig wanneer de dichter over de ganzen schrijft die in de motoren kwamen van het vliegtuig dat in 2009 op de rivier de Hudson een crashlanding maakte.

Net als bij het vroegere werk van de in Japan wonende dichter is De willekeurdivers wat betreft zijn uiteenlopende vrije versvormen. Zo vinden we naast ranke versjes á la Jan Arends prozagedichten. In die laatste vorm toont Lauwereyns zich door de verweving van prozaïsche en essayistische elementen verwant aan Borges, die graag genres in elkaar weefde. Je komt in De willekeur overigens nog wel meer verwantschappen met of verwijzingen naar andere auteurs tegen: Baudelaire, Gorter en Herta Müller. Ook is een deel van de oud-Nederlandse zin 'Hebban olla vogala nestas hagunnan (...)' in hedendaags Nederlands in een van de gedichten terechtgekomen.

Wankel
De bundel staat helaas minder stevig op zijn benen dan de bekroonde bundel Hemelsblauw (2011). Lauwereyns ontsnapt in een aantal gedichten niet aan rijmdwang. Dat is opmerkelijk, want de dichter bekommert zich doorgaans niet om eindrijm en zijn poëzie heeft dat evenmin nodig. Maar nu dicht hij in 'Mountainbikelyriek':

Ik twijfelde en dacht
dit wordt niets
het wordt nacht
dus ik fiets

liever door
dacht ik en hard
en hoor
mijn hart
(…)

Te betreuren zijn daarnaast de clichés die een VSB Poëzieprijswinnaar wezensvreemd zouden moeten zijn. 'John Wilmot beet in de hand die hem voedde', is bijvoorbeeld zo'n (fantasieloze vertaling van een Engelse) gemeenplaats.

In Lauwereyns' prozagedichten is dit keer ook een vrij algemeen taalgebruik geslopen:

proefpersonen kregen foto's te zien, af en toe een grote spin op iemands gezicht, een open wond met maden erin; mensen die gemakkelijk schrokken, meer zweetten, sneller ademden, stemden voor 'sociaal beschermende praktijken', vonden wapens oké, hielden vreemdelingen liever buiten.

 Zelfs wanneer je dit fragment in zijn context beziet, voel je je oogleden uit pure verveling neerzakken. Wankelheden als deze maken de bundel onevenwichtig. Er had nog wel wat strenger naar
 De willekeur gekeken mogen worden. 

Gepubliceerd op 8WEEKLY.

zaterdag 23 juni 2012

Voordracht in De Hoofdmeester

Moet even gezegd, maar het was op 22 juni goed optreden in Haarlem. Sophia Maria trad op met haar NarcismeNeuroseNarcose en mijn voordracht als een talig lijstje daaromheen. Hier nog een ingetogen momentje, maar het dak ging er vrijdag 22 juni vanaf in café De Hoofdmeester! 


(Foto: Pascal Schelfhout)

donderdag 10 mei 2012

Jan Lauwereyns - Hemelsblauw

Zekere dag in de tuin, addertje zonder kop

Jan Lauwereyns won op 25 januari met de bundel Hemelsblauw de VSB Poëzieprijs. De gedoodverfde winnaar Anne Vegter, die kort daarvoor de Awater Poëzieprijs won, had het nakijken. 


De Belgische auteur Lauwereyns is neuropsycholoog van beroep. Hij woont en werkt in het buitenland. Na een periode in Nieuw-Zeeland te hebben gewoond, resideert hij inmiddels al geruime tijd in Japan. Dat de gedichten een exotisch randje hebben is hiermee wellicht weinig opmerkelijk. Al in Buigzaamheden (2002) stapt in een gedicht professor Purato een operatiekamer binnen en in Anophelia! De mug leeft (2007) is het de Aziatische tijgermug die de bundel doorzoemt. Dat de tijgermug sinds een aantal jaar ook in Nederland wordt waargenomen, vergeten we bij deze voor het gemak maar even.   


Gedoe rondom een zelkova
Ook het uit vijf lange gedichten bestaande Hemelsblauw is doordrongen van den verre. Dat komt tot uiting in de Japanse personages en plekken die in de gedichten voorkomen. Zo is in het tweede gedicht 'Rondom een boom' een prozaïsch verslag te lezen van een conflict rondom de duizendjarige zelkovaboom van de oude meneer Nakazato, waarin hij sierlichtjes heeft gehangen. En in het lange, oorspronkelijk in het Japans en Nederlands verschenen gedicht 'Addertje zonder kop' komt een kraanvogelrivier voor.

Het is lastig een label te plakken op het soort werk dat Lauwereyns maakt. Het is vrij heterogeen. Dat zie je terug in het feit dat hij de uiteenlopende vrije versvormen die in zijn werk voorkomen dermate structureel doorvoert, dat je zijn schrijfstijl evengoed vormvaste kwaliteiten kunt toeschrijven. Ook voldoet zijn bundel niet aan het algemene idee van wat poëzie is, want Lauwereyns' poëzie is vol van prozaïsche en theatrale elementen. En ondanks dat hij voortdurend de genregrenzen overschrijdt, dicht hij net als de dichters van ooit geschiedenissen, verhalen, mythen.

Parabel

De gedichten 'Parabel voorbij de regenboog' en 'De beharing' hebben zo'n mythisch karakter. Beide zijn hermetischer dan het gedicht 'Rondom de boom'. Dat hermetische geeft de teksten bovendien een epische kwaliteit. In de parabel, een lang gedicht bestaande uit distichons (tweeregelige strofen) gaat het er als volgt aan toe:

De terugkeer, slokdarm, regenboog
Naar spraakvermogen

Sprak van echte limieten
Ware asymptoten in het riet

Een van ons lag dood
De ander leefde van lever en nieren

Jij, zachte wiskunde, die mij bent
Ik, rafelige biologie, die jou vorm [sic]

Hielden en houden met hart en ziel van mij
En ik van ons, en van jou, en van jullie

Alles of niets, zwart op wit, van nu tot wij
De dood weer leven geven

De heterogeniteit van Lauwereyns' gedichten en variëteit van de toegankelijkheid stelt de definitie van moderne poëzie ter discussie en onderstreept het experiment dat eraan ten grondslag ligt. Het veertien bladzijden lange gedicht 'Addertje zonder kop' lijkt dankzij zijn dialogische karakter die discussie expliciet aan te gaan. In een geestige woordenwisseling rondom een onthoofd addertje wordt onder meer de lezer uitgedaagd om de poëticale vraag in het gedicht te beantwoorden.


Misschien was het een kraai  

Een kraai

Kraai

Een kraai, denk ik

Een mens was het niet

Is het dan bloed

Zekere dag in de tuin, een koploos addertje

Is het een gedicht

Een kraai

Kraai

Een kraai, denk ik

Zekere dag in de tuin, addertje zonder kop

Is het een gedicht






Gepubliceerd op 8WEEKLY

dinsdag 24 april 2012

Sybren Polet - Vritualia. Teletonen, Even- en nevenbeelden

Het dichterlijke oeuvre van experimenteel Sybren Polet zou je kunnen zien als een dynamisch kruispunt. Geen slechte plek voor een literair café. Kopje koffie erbij en kijken maar. 

Flarden van mede-Vijftigers en andere door Polet gelezen dichters, zoals Pessoa en Rilke, komen langs. Ook zie je tijdens het lezen parallellen met gelijkgeaarde dichters. In de verte zie je ze wegfietsen, bijvoorbeeld Arnoud Rigter op zijn zelfgetekende staal. Hans Faverey (inmiddels afgestapt) en een speels zigzaggende Astrid Lampe.


Ook het, van techniek en wetenschap doordrongen, dagelijks leven en de literatuur treffen elkaar op dit kruispunt. Met name in zijn omarming van die techniek en wetenschap heeft Polet zich van de andere Vijftigers onderscheiden. Waar in ouder werk vooral natuurkundige en biologische termen klinken, komen in Virtualia. Teietonen, Even- en nevenbeelden veel woorden uit de digitale media terug. 


De eindigheid, in Donorwoorden (2010) nog volop aanwezig, heeft als zwaartepunt plaats gemaakt voor de eeuwige, virtuele schijnwereld van de nullen en de enen. De mens, die in Polets oeuvre veelal als massamens naar voren komt, is in deze bundel sluipenderwijs een 'cyborg' geworden die continu verbonden is met het net.


Dat net bestaat uit 'verten zonder horizon' en wordt bevolkt door 'luidruchtige eenlingkoren' . Daar wordt 'je digitale existentie gehalveerd / of misschien heel ergens anders opgeslagen', bijvoorbeeld in een cloud: 'in een lichtjaren verre duistere nis / van een ontzagwekkend groot elektronenheelal / met of zonder zelforganiserende / morfogene wolken in wording'. Polets mens wordt daar zo langzamerhand beeld- en 'pixelmoe' van. De dichter lijkt op te roepen om het digitale zelf te wissen 'voor een nevenzelf' dat analoog is. 'Negatief overleven,' schrijft hij. Biedt literatuur soelaas? Polet denkt in 'Limietrealisme' van wel:

Iedereen aan het stopcontact.
                          Alleen in elektrolyse.
Wisselstroomlicht.
                          *
Voor u het voorgevormd virtuele of nagespeeld reële?
                          *
Literatuur als kunst van de kortste omweg.
                          (Geen handelsreizigersroutes.)

                          *
De taalgrens loopt dwars door mij heen.
Droom van de oplichter: werkelijkheid.
                          (Limietrealisme .)
                          *
En dicht toevallig de juiste woorden.

De progressieve dichter heeft in Virtualia plaats gemaakt voor een conservatieve. 'Leven is levensecht spelen' en 'Tijd om ons te koesteren in de oude / hartverwarmende materie' schrijft hij elders in de bundel.


Het is haast of je Polet zijn hoofd ziet schudden, want ook de tijdsbeleving is volgens hem door de onafscheidelijke relatie tussen mens en computer anders dan voorheen. Zo bestaat zelfs de dood daarin als een achterhaald idee. Polet verzucht: 'Een heel andere tijd / zonder bijtijd of natijd, / zelfs geen nultonige. // Xisteren in een andere tijd'. De speelse samenvoeging van 'gisteren' en 'existeren' tot 'Xisteren' laat zien dat Polet de dichtkunst tot in de puntjes beheerst. Bovendien zou je in die x, uitgesproken als 'iks', een referentie aan de bundel Persoon-onpersoon (1971) kunnen lezen - de bundel die Polets massamens (iks) voor het eerst massaal bevolkte.

Virtualia is niet wars van hermetisme, maar hoe helder en fris is hij geschreven! Bovendien is een sleutel tot Polets poëzie nooit ver weg. De bundel geeft te denken over onze aan digitale media verbonden identiteiten, de onzekerheid over onze privacy, de afname van parate kennis, de verslapping van ons cerebrale geheugen en de toename van het binaire denken dat internet op zijn geweten zou hebben. Er is weinig dichtwerk dat directer ingaat op de effecten van onze tijd.

Gepubliceerd in Awater

vrijdag 20 april 2012

Erik Spinoy - Dode kamer

Gedempt contact met de buitenwereld


Dode kamer van Erik Spinoy, VSB Poëzieprijs-genomineerde 2012, is een bundel waarin vrijwel niets concreet wordt of door het witte membraan rondom de gedichten dringt.

De titel van de bundel is uitstekend gekozen. Een dode kamer is een ruimte voor akoestische opnames en metingen; ze heeft wanden die alle geluid maximaal absorberen. Ook op een andere manier geeft de titel te denken.

Ontbrekende handvatten
De titel Donkere kamer verwijst volgens het achterplat eveneens naar een kunstwerk van Ann Veronica Janssens: een mistige ruimte met wisselende kleuren, wat een sferisch, maar ook dempend gevoel oplevert. Daar sluiten Spinoys gedichten goed bij aan. Van werkelijk menselijk contact tussen de personages is in het werk geen sprake. Niet zelden ontbreken handvatten om de buitenwereld concreet te beleven:

Een hagelwitte zomerregendag in dit
of op een ander continent.

Door het verblindend daglicht in de witte zaal
de watergroene binnentuin
de stortbui in de hete binnenstad

glijdt uit het niets
zo'n vissige fiets

met op de naaf een aluminium schijf
die al dit licht vangt en opeens

de aardas met een knik verdraait

en al de rest onmerkbaar eerst
verschuiven doet.

Met de hagelwitte regen lijkt het gedicht uit het omringende wit te kruipen en na een onmerkbare verschuiving vervaagt het weer in dat wit. De vaagheid wordt versterkt doordat het gedicht vol staat met woorden die elkaar lijken uit te sluiten. Hagel en zomerregen; de regen en al het witte licht en de witte zaal; de buitenruimten van de binnentuin en -stad. Dat het gedicht zich op dit of op een ander continent afspeelt, maakt de beschreven belevenis ronduit een fictieve: zij vindt volledig plaats in de verbeelding van het gedicht.

Postmoderne romantiek
In het oeuvre van Spinoy zijn zeker twee constanten aan te wijzen. De eerste is een hang naar romantiek (iets waaraan hij zich ook in het Gedichtendagessay As/zteken (2012) schatplichtig acht). Vooral in zijn vroege werk lijkt de dichter hierdoor soms een vazal in dienst van een oud koninkrijk. Ook in deze bundel kom je bijbehorende thema's tegen: met name dat van het onbenoembare of ongrijpbare andereDe tweede consistente is zijn voorliefde voor 'witte woorden', zoals 'dauwwit', 'sneeuwwit' en 'rijp'. Als meest gebruikte witte woord staat 'hagelwit' met stip bovenaan – alleen al in Dode kamer zie je het een keer of zeven terug. De witte woorden betreffen vaak pseudowitten (want hoe wit is hagel nu eigenlijk?) die verdwijnen zodra (weers)omstandigheden veranderen. Zien we hier een poëtica van negatie terug waarin taal niet naar de wereld om ons heen verwijst, maar alleen naar zichzelf?


Je kunt bovendien vermoeden dat deze witte voorliefde samenhangt met een drang om het onrepresenteerbare te representeren – iets wat in beginsel onmogelijk is. Dit onrepresenteerbare is wel voelbaar in een vloeibaar, veranderlijk taalgebruik. Althans, volgens Jean-François Lyotard, van wie een motto voorin Dode kamer afkomstig is. Spinoy, die de postmoderne filosoof behandelde in zijn proefschrift Twee handen in het lege. Paul van Ostaijen en de esthetica van het verhevene (Kant, Lyotard) (1994), komt met de onbestendigheid van zijn pseudowitten aan dat vloeibare, veranderlijke taalgebruik tegemoet.

Cyberlamp
Maar ook zonder diepgravende beschouwingen kom je de bundel goed door. De nevenstellingen in de gedichten van observaties en beelden doen wellicht denken aan het werk van Martin Reints. De soms wetenschappelijke woordkeus (zoals 'cyberlamp' en 'bewegingsynthese') doet denken aan het frisse taalgebruik van Sybren Polet. Het geeft deze poëzie de beleving van het aandachtig kijken naar een intrigerend fotoboek.


Gepubliceerd op 8WEEKLY.