woensdag 18 januari 2012

Noord Nederlandse Dans - Instrumental


I'll marry the dark


Instrumental van Noord Nederlandse Dans bestaat uit drie steengoede wereldpremières. Met name over 'Strange Light', een uitvoering geïnspireerd op een gedicht van Derrick C. Brown, kun je lyrisch zijn.

Instrumental, dat al op 21 oktober 2011 in première ging, heeft de vorm van een sandwich en is alleen al wat dat betreft een appetijtelijke voorstelling. Het brood van die sandwich wordt gevormd door choreografieën van de vaste choreograaf Stephen Shropshire, het middelste deel is gemaakt door de Israëlische choreograaf Emanuel Gat.

Van laag naar een duet
De opbouw van het programma is goed gekozen. De start is dynamisch. In 'Now lay me down' toont Shropshire met zijn dansers en celliste tegen de achtergrond van de abstracte muziek van David Lang een energieke dans die zich veelal laag bij de grond afspeelt. Boven de dansers hangt een groot scherm waarop afwisselend overtrekkende wolken en/of wolkende vulkaanas is te zien.

Het daarop volgende duet van twee danseressen heet 'Time Touching Themes' en is duidelijk herkenbaar als Gat's werk. Niet alleen is het podium kaal, maar ook moet het publiek zelf aan de dans betekenis geven. Gat is bij het maakproces uitgegaan van wat zich in de studio afspeelde. Het terugzien van het impliciete gedrag dat zich bij repetities afspeelt, zie je op het toneel terug en dat maakt de dans op momenten erg geestig.

Een dans tussen uitersten
De voorstelling lijkt een onderliggend thema te voeren: uitersten. Voortdurend is er sprake van versnelling en vertraging en steeds lijkt het te gaan om een reageren op elkaar. Niet dat de dans een grote golvende aaneenschakeling is, maar de dansers zijn vooral op elkaar gericht. Het zorgt ervoor dat de dans, in tegenstelling tot het haast betonnen podiumbeeld, iets provisorisch krijgt.

Maar toch is elke beweging een beheerste. De frictie van uitersten, zoals die hierin gesuggereerd wordt tussen reguliere dans en de innovatieve dans van Gat, komt ook op andere vlakken tot uiting. Bijvoorbeeld in de geweldige casting van de danseressen. De ene is tenger, bleek en heeft lang zwart haar, de andere is haar tegendeel. Dit contrast wordt nog eens aangezet door het scherpe, haast industriële licht dat vanuit de linkerflank op de dansvloer valt, waardoor harde schaduwen als geluidloze echo's meedansen.

Strange Light
Het hoogtepunt van de avond wordt niettemin gevormd door 'Strange light', een voorstelling die geboetseerd is naar een gedicht van Derrick C. Brown. Dit gedicht heeft de loop van een leven als onderwerp. Specifieker gaat het over Browns leven, al schiet het gedicht ook de toekomst in.

Here is the story of one man with a strange light
and tiny blisses.
Zo opent het stuk, en aanvankelijk is de verteller in het gedicht optimistisch over het einde:

I'll marry the dark.
When the dark comes
I will party in it.
I will make it silly. I will keep my light

Het eindigt echter grimmig als zijn grote liefde overleden is en hij op de rand van de dood verkeert:

Fuck you.
I must keep you alive in my head Margaret.
I loved your full resume.
I loved your throaty kiss.
I am gushing.
Iam ready to fill this night with senseless acts of
ha cha cha, no retreat, no quarter.
I'm going bezerker.
I ain't goin' west
like death.

De choreografie is op het gedicht geïnspireerd. Zij is perfect in balans: de spanningsbogen zijn goed, er bestaat veel variatie binnen de verschillende delen en bovendien wordt het verhaal van het gedicht helder, maar nooit eentonig of voorspelbaar tot leven gebracht. Soms is de voordracht van Brown zo sterk dat je vergeet naar de dansers te kijken. Maar dat is geen kritiek op de dans zelf. Die is soms erg geestig, bijvoorbeeld wanneer de van zichzelf overtuigde jongeling wordt getoond. Op andere momenten kan hij ronduit indringend zijn, neem het moment wanneer de protagonist oud is en zijn Margaret overleden is.

De Noord Nederlandse Dans moet, met nog enkele voorstellingen in het verschiet, het stuk maar in reprise laten gaan, want Instrumental is een voorstelling om vaker te bezoeken.


Gezien op 10 januari 2012, in de Toneelschuur, HaarlemGepubliceerd op 8WEEKLY!

zaterdag 14 januari 2012

W.F. Hermans - Volledige werken 9, Gedichten

Bloed omspoelt het dode paard dat valt

Hinkstapsprongsgewijs verschijnen ze, de Volledige werken van W.F. Hermans. Afgelopen najaar kwam deel 9 uit bestaande uit een genre waarvan veel mensen vergeten dat Hermans het bedreef: poëzie.

Nitroglycerine-gele Singhalese,
mijn scheermessen van edelstaal
worden door naakte negerinnen geslepen.
En onder hun scherpte bezwijkt je schaamhaar
elke ochtend.

Het is de opening van het meest zinnelijke gedicht van Hermans, 'De heilige Maria Juana', dat hij onder het pseudoniem Luís Juana schreef – een Mexicaanse dichter die op 8 juli 1949 bij een straatgevecht omkwam. Het wijkt sterk af van zijn kleine dichterlijke oeuvre.

Ik krijg er maar twee!
Hermans schreef zijn eerste sonnet toen hij nog op de HBS zat, en ondanks dat men hem gezegd had dat het erg moeilijk zou zijn, kostte het hem weinig moeite.Kussen door een rag van woorden (1944), zijn debuut, verscheen nog tijdens WOII en werd in kleine kring verspreid. Net als de drie bundels die erop zouden volgen –Horror Cœli en andere gedichten (1946), Hypnodrome. Gedichten (1948) enOvergebleven gedichten (1968) – verscheen het na de oorlog in een gewijzigde editie.

De auteur gruwelde van onregelmatigheden in zijn eerstelingen. 'Ik zou willen dat alle oude drukken van boeken die in verbeterde vorm herdrukt zijn, als bij toverslag tot stof uiteen vielen, ook al gaat het maar om een komma', aldus Hermans. Omdat hij, slordig als hij zichzelf zag, alle fouten wilde uitbannen, zou hij bij nieuwe publicaties keer op keer om extra drukproeven vragen. In een correspondentie met Van Oorschot schrijft hij:

Hoeveel haast er ook moge zijn, een boekje wordt praktisch waardeloos, wanneer de auteur zelf niet van alles minstens twee proeven heeft gehad […] Joyce had 20 drukproeven nodig, en ik krijg er maar twee!

Een Werther
In Volledige werken 9, Gedichten wordt enorm veel gesnikt, getraand, geweend, gehuild, gejammerd en geschreid; er zijn een tranendoek, druppels, bloedende ogen, longen die verscheurd zijn, trillende lippen en kolkende regen in de oogkassen te over. Deels komt die vochtige stormvloed doordat een groot aantal gedichten verschillende keren opgenomen is – alle van elkaar verschillende drukken vind je in Volledige werken 9 terug. Evengoed zegt dit wateren iets over de aard van het gros van zijn gedichten. 

XIV

Als kleine vogels nestelden je handen
in de bonten mouwen van je mantel.
Fladderden over de breede randen,
Je vingers beurtelings vleugels of halzen,
Je glanzende nagels roze snavels.

Je wimpers waren kleine waaiers,
Die je bezwerend neer kon slaan,
Voor wat je te zeer zou hebben ontdaan,
Of wat in je oogen kon ontstaan.
Maar soms ontgingen hen toch je tranen.

Hoewel Hermans late poëzie, met name de Overgebleven gedichten lichter en geestiger van aard is dan zijn eerdere werk, zijn de gedichten nooit wezenlijk van klankkleur veranderd. Zoals 'XIV' (Kussen door een rag van woorden(1948)) al suggereert, zijn ze sterk romantisch en soms zelfs dweepzuchtig. Zijn gedichten zijn wel vergelijkbaar met die van Ed. Hoornik, die in dat stof waarin hij verzonken is het opzoeken overigens wel waard blijft. Het maakt Hermans een soort Werther die zich nog net niet van kant maakt, zoals hij de puberale inborst in zijn gedichten opvoert. Je zou willen dat hij meer zinnelijke verzen had geschreven in de trant van 'De heilige Maria Juana'.

Straattoneel
In een brief aan de literator R.A. Basart zou Hermans aan zijn dichten terugdenken:

Soms heb ik het gevoel dat deze gedichten, vooral de oudste, niet door mijzelf geschreven zijn, maar door een door mij verzonnen romanfiguur uit een roman die in de pen gebleven is. Of misschien wel uit de pen gekomen is, minus het dichterschap van de hoofdpersoon.

Dat Hermans' poëzie echter nog courant is, komt door het alledaagse taalgebruik. Dat geldt vooral voor de gedichten met een licht surrealistische inborst. Met name 'Straattoneel' staat als een huis:

Te steil die brug. De voerlui slaan het paard
Met ijzren buizen galmend op de rug.
De moeder ijlt haar dochter na op straat,
Een mes valt als een noodkreet uit een raam.
Te steil die brug. Van olie glanst het asfalt
En bloed omspoelt het dode paard dat valt.
Het mes staat siddrend in een dorre boom.
Er klinken schoten ergens onder mij.
Er rijdt een priester op een fiets voorbij.
Aan 't kruispunt weet hij verder niet te gaan.
(Twijfel is een rood licht waarvoor hij remt.)
Hij blijft met uitgestrekte armen staan.

Zodat van ver, hij op de Heiland lijkt
En dichtbij, op een verkeersagent.

Het gedicht is afkomstig uit Hypnodrome (1948) en zal in Overgebleven gedichten(1968) in licht gewijzigde vorm terugkeren. Minder sterk, met name doordat het mes daar uit het raam 'vliegt', waardoor het schrikmoment ietwat wordt getemperd. Zou er echter maar een gedicht van Hermans overleven, laat het dan dit gedicht zijn.

Gepubliceerd op 8WEEKLY!

maandag 5 december 2011

Ramsey Nasr - Mijn nieuwe vaderland. Gedichten van crisis en angst

Zinderend tegen de uitwissing

Mijn nieuwe vaderland, Gedichten van crisis en angst is niet om vrolijk van te worden. Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr laveert tussen gedichten en opiniestukken. Ze stemt ernstig over onze politieke situatie.

Laten we het inderdaad maar een 'situatie' noemen. Op de vooravond van de eerste (Gemeentelijke) bezuinigingen stemt ze zelfs zeer pessimistisch. Toen ik even voorbij het midden van de bundel in het tweede artikel geraakte, 'Alleen op cultuur zet je een Ork', werd ik zo intens treurig dat ik de muziek aanpaste die op de achtergrond speelde. Ook vlees en bloed heeft soms behoefte aan troost.

Ongezien de tyfus
'Verder schijt, kots en kwijl ik op heel die links-gehandicapte kutst stroming. Ik ben blij dat de tijd gekomen is dat ik kan dansen op de restanten van jullie frobels. Het voelt goed dat Rutte 1 jullie tot op het bot gaan desubsidieren. Ongezien de tyfus aan heel het zooitje'. Nasrs bezorgdheid om cultuur wordt wellicht het best geïllustreerd door dit stukje fanmail dat hij in zijn voorwoord opnam. 'Kutst' is leuk gevonden, maar wat een bedroevende spelling. Gelukkig pareert hij: 'Het gaat goed met de poëzie. Ze moet dood, dus ze leeft'.

De poëzie van Nasr zindert. Wie naar de ontwikkeling van zijn eigen schrijven kijkt, ziet hoe ze van hun 
overwegend lyrische en romantische toon allengs een maatschappelijk-geëngageerde gerichtheid hebben gekregen die in toenemende mate een prozaïsche vorm eist. Nasrs uitgeschreven engagement heeft veel te maken met het Stadsdichterschap van Antwerpen (2005-2006) en met zijn functie als Dichter des Vaderlands (sinds 2009). Overigens zit het hem in zijn botten: hij is een begenadigd publicist. In 2006 werd hem door het Humanistisch Verbond de ereprijs Journalist van de Vrede toegekend vanwege zijn bijdrage aan de begripsvorming tussen westerse en oosterse culturen door starre vooroordelen kritisch te toetsen.

Mengelberg

Mijn nieuwe vaderland bestaat uit drie delen. Het eerste gaat over onze hang naar vrijheid. Het tweede buigt zich over de Nederlandse cultuur. Het derde en laatste deel bestaat uit 'Het hemelse leven', een lang gedicht over de relatie tussen kunst en politiek. Die titel verwijst naar het slotlied uit Mahlers Vierde symfonie. Deze afsluiting is opgedragen aan weggezuiverde joodse orkestmusici tijdens de bezettingsjaren. Nasr droeg er twee delen uit voor met het Amsterdam Ensemble op 4 mei 2011.

In 'Het hemelse leven' staat Willem Mengelberg centraal, toentertijd dirigent van het Concertgebouworkest. Deze vriend van de joodse componist Mahler wilde zich aan alle politiek onttrekken, maar werd daardoor collaborateur. In de slotfase van het gedicht zegt hij:

kunst is geen politiek
als ik iets gedaan had
zou ik het begrijpen
maar ik heb me nergens mee bemoeid

Maar in tijden van politieke crisis - ook nu, lijkt de boodschap - moet je positie kiezen en Nasrs werk is te lezen als een oproep tot engagement:

dat is de smet van europa
dat allen zeggen
het gaat mij niet aan

Het zingen bij een dode
Misschien klinkt 'Mahler' en 'orkestmusici' wel te sjiek voor gedesinteresseerde oren. Had Nasr niet beter iets moeten doen met wat op straat leeft? Dat deed hij, met 'mi have een droom'. Geschreven in levend, straattalig Nederlands waarin een grote behoefte aan geborgenheid spreekt: 'mi have een droom van brekend glas / ik droom achteruit, van een stitti die stilstaat & thuis op mi wacht'. Had de Dichter des Vaderlands niet meer de actualiteit in ogenschouw moeten nemen? Ook dat doet hij, aan de lopende band. Als hij in 'uit nutteloze noodzaak' het nut van kunst probeert te beschrijven:

de waarheid is
zij heeft geen nut
kunst is maar een bijproduct
zij is niet nodig om te kunnen
eten, neuken ademen

[...]

bij een vijand zonder handvat
helpt alleen het nutteloze
dan helpt kerven in een bot
stieren schetsen in een grot
dan helpt de nachtwacht
en het zingen bij een dode

Noodzaak
Nasr laat een geluid horen tegen de huichelachtigheid van Rutte I. Lik op stuk krijgt niet alleen de PVV, waarvan Nasr aantoont dat zij haar kiezers keer op keer laat vallen, ook het gedraai van CDA en de VVD blijft niet onbesproken. Herinnert iemand zich nog dat Blok zich afvroeg waarom er geld naar cultuur ging, terwijl ook dierentuinen opvoedkundige waarde bezitten en rijwielzaken geen subsidie krijgen? Beiden werden wel gesubsidieerd, toont Nasr aan: dierentuinen krijgen het en vergeet ons Nationale Fietsplan niet.

Door iemand als Zijlstra (de Ork) aan te stellen als Staatssecretaris van OCW - die eens aangaf niets met cultuur te hebben - verwijt de dichter premier Rutte de PVV naar de mond te praten om geen kiezers te verliezen. Minister Schippers van VWS die stelde 'dat psychiatrische aandoeningen en depressies "binnen eigen kring uitgevogeld" moeten worden'; Nederland teruggeven aan de Nederlander: het kabinet wist elke herinnering aan Nederland uit. Aldus Nasr, die zich als hofnar in zijn element weet: sterke, heldere teksten en een duidelijke boodschap. Een aanrader die je iedereen onbeschroomd mag opdringen.


Gepubliceerd op 8WEEKLY!

maandag 28 november 2011

Frank Koenegracht - Lekker dood in eigen land

Alles doet het nog

Frank Koenegracht is een schelm: één blik op de titel Lekker dood in eigen land is genoeg om dat te bevestigen. Maar wel een schelm die in staat is rake gedichten te schrijven.

Als je de Letteren indeelt naar de beroepen die auteurs uitvoeren (of uitvoerden) naast hun schrijversleven dan zie je dat een goed deel van de literatoren uit medici en psychiaters bestaat. Denk aan Enquist, Kopland, Slauerhoff, Tranströmer, Tsjechov en Vasalis. Ook Koenegracht hoort in dit rijtje thuis, en dat merk je.

De schepen worden geladen
Mogelijk houdt zijn beroepsuitoefening verband met de gemene deler die in de veelvormige gedichten aanwezig is. Die lijkt uit de idee te bestaan dat dat een mens onderhevig is aan het leven. Niet dat zoiets betekent dat hij een speelbal van dat leven is, maar wel dat hij het heeft te doen met datgene wat hem in de schoot geworpen wordt: zijn mogelijkheden en onvolkomenheden. F.K.'s hondervijftiende droom, dat dreigend eindigt, illustreert dit prachtig:

Op zekere ochtend ging ik de deur uit
om schoenen te kopen
totdat ik een hoek omsloeg en ontdekte
dat ik in een groot gekkenhuis liep.
Ik had blijkbaar 'vrij wandelen'.

Het was winter, niemand sliep
want in een gekkenhuis slaapt men niet.
Drie zusters snelden toe
en vroegen me of ik verdwaald was – jazeker –
en zeiden: dan moet u langs de haven

naar het industrieterrein.
Maar het is hier toch een gekkenhuis, zei ik.
Zegt u dat liever niet. Kijk daar is de haven,
ziet u wel, u twijfelt te veel.
De schepen worden geladen.


Uiteenlopende gedichten
Dat je met jezelf zit opgescheept, blijkt bij Koenegracht zowel gevoelige als komische kanten te hebben. Humor bevolkt zijn gedichten al sinds zijn vroegste bundel en uit zich niet alleen in het bijna kafkaëske absurdisme van hierboven, maar ook in woordspel, zoals in het een-regelige gedicht 'Uiterst kort gedicht met politieke strekking': 'De turkse tortels koerden'. Het is knap hoe hij zo'n precair onderwerp zacht weet te maken en er tevens mee uit te drukken waaraan behoefte is: vredelievendheid.
Foto: Keke Keulemans
Foto: Keke Keulemans

Zulk woordspel maakt Koenegracht echter wel een schelm. Dat blijkt in Lekker dood in eigen land uit de speelse bundeling van light verse en poëzie, daar waar taalvondsten gepaard worden aan de sterke samenhang van beeldgebruik en inhoud. Het komt ook naar voren in zijn schalksheid, waarbij hij enige mate vanrücksichtlosigkeit niet schroomt. Zoals in het gedicht Brief aan mijn moeder, een titel die je onheroepelijk associeert met André Hazes. Het gedicht is echter geen schlager, het is een goedbedoelde oproep van de dichter aan zijn moeder een dienst van de thuiszorg aan te nemen. Freudiaanse en klassieke referenties gaat Koenegracht hierbij niet uit de weg. Een geestig gedicht, dat je enigszins ontzet en tegelijkertijd enorm kan ontroeren.

BRIEF AAN MIJN MOEDER

Moet je horen, mamma, luister je?
Ik lees hier over een aanbod
waarbij zeer oude moeders met
meestal zeer oude zonen die
om niet tastbare redenen niet meer
bij ze willen slapen
een zwaan ter beschikking wordt gesteld
door de thuiszorg.
Het gaat om Hollandse zwanen.
Ze zwemmen overdag rond,
maar 's avonds worden ze opgeborgen
in prachtige vitrines.
Ze worden thuisbezorgd en in je bed gelegd.
Ze slaan hun linker vleugel om je heen: dat
is tegen de duizeligheid en ze leggen
hun snavel op het andere kussen:
dat is tegen eenzaamheid.

's Ochtends worden ze weer opgehaald.
Nou, doe het maar, mamma.
Je bent er immers voor verzekerd.


Epigram
Lekker dood in eigen land gaat vergezeld van zestien kleurige portrettekeningen. Naast het portret van een gruwelmonsterachtige recensent, waarvoor ik mijn recensentenpet bibberend afneem, komt ook hier Freud terug: een waterhoofd vol borsten en sirenen. Komrij is een enge groene bol op een dun stokje en Pessoa een tafeltje met daarop een aantal portretten van hem en een fles wijn (hij zoop zich te pletter). De reeks portretten sluit af met een vlinderachtige afbeelding van Lucebert, de dichter die Koenegracht bij De Bezige Bij introduceerde.

Hoe vaker je de bundel ter hand neemt, hoe vaker je er lukraak uit wilt citeren. Aan je lief, je vader, vrienden, bekenden en onbekenden. Zonder gêne. Ter afsluiting daarom nog een gedicht, dat Koenegracht bij het overlijden van een vriend schreef, de essayist Rudy Kousbroek wiens intelligente, geestige essays altijd een warme betrokkenheid toonden. Interessant om te weten is de grote voorliefde van Kousbroek voor sleutelen en repareren, al is het gedicht ook zonder die wetenschap evengoed prachtig.

EPIGRAM

Als je dood bent op een dag
blijven de lampen rustig in hun fittingen
en ook de wc kan je gewoon doortrekken.
Wel voorzichtig want
het vlottertje werkte al niet goed.
Alles doet het nog: bijvoorbeeld
de overdrijvende wolkenvelden
en de matige tot krachtige tijdelijk harde
tot zeer harde wind uit uiteenlopende richtingen.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

zondag 20 november 2011

Jorge Luis Borges - Alle gedichten


Elk ogenblik laat de waterklok de laatste druppel vallen


Nadat Jorge Luis Borges met zijn proza mondiale bekendheid verwierf,  schreef hij voornamelijk nog poëzie. Met Alle gedichten is eindelijk zijn gehele dichtwerk voor Nederlandse lezers ontsloten.

Hoewel al eerder gedichten van hem in het Nederlands gepubliceerd werden, is de vader van de Latijns-Amerikaanse letteren bij ons vooral bekend van zijn korte verhalen. Met name De Aleph kreeg een iconische status.

Nergens omtrek
Foto: Maria Kodama
Foto: Maria Kodama
De kortste wijze om Borges en zijn literatuur te beschrijven is door Klein requiem van Frank Koenegracht te citeren:


Borges was blind
en leefde in een bol
met overal middelpunt
en nergens omtrek
ver van allen
die vandaag de dag
de aarde bevolken
en haar vermoeien.

Hoewel Koenegracht zich in de eerste regel vergist, Borges stierf blind, introduceerde de Argentijn een mythische literatuur, waarin bijvoorbeeld in een kelder een bol (de Aleph) bestaat zoals door Koenegracht wordt beschreven. Of waarin een gedroomde dromer iemand tot leven droomt. Terugkerende thema's zijn de onwerkelijkheid van de materiële wereld – die immers maar een subjectieve aanname is – en de broosheid van persoonlijke identiteit. Identiteit is bij Borges inwisselbaar: een mens kan alle mensen zijn en vice versa. Sterker nog, identiteit kan evengoed een ordinaire gril zijn van een kosmische intelligentie.

Borges' poëtica is door de jaren niet constant geweest. In zijn vroege, modernistische periode wilde hij van gedichten levende of organische gehelen maken. Metaforiek was daarbij heel belangrijk. Iedere regel moest bovendien een volmaakte synthese bevatten van gewaarwordingen, een spirituele wereld of een staat van bewustzijn. Vanaf de jaren zestig waren zijn schrijversdoelen voor onze tijd ouderwetser. Volgens de sterk psychologisch getinte Borgesbiografie van Edwin Williamson probeerde hij in zijn gedichten de herinnering aan daden van de helden levend houden en het voorbijgaan van de tijd betreuren. Eind jaren zestig geeft hij in zijn voorwoord tot de bundel Lof van de schaduw (1969) aan geen (literaire) esthetica's aan te hangen.

(Geen) intellectueel (taalgebruik)
Toch is de invloed van die poëtica's in Borges' werk zichtbaar. Waar de dichter in zijn eerste drie bundels vooral een haast persoonlijke romantische urgentie aan de dag legt, kom je vanaf de De maker (1960), Borges vierde bundel, overwegend historisch-literair gerichte gedichten tegen. De romantiek dient nu de epische inhoud: het lot van Carthago en Odysseus regelmatig bezongen, maar ook zijn familiegeschiedenis komt veelvuldig aan de orde. Vanaf De diepe roos (1975), zijn negende, tot aan zijn dertiende bundel De eedgenoten (1985) bevat zijn poëzie een steeds grotere existentiële urgentie. De dood, het verlies, de eenzaamheid, ze dringen zich onherroepelijk aan je op.

Een constante in de 414 gedichten is de intellectuele thematiek: het maakt de gedichten sterk verhalend en essayistisch. Ook is de 'persoon Borges' (hoe we die ook interpreteren) markant aanwezig, zoals in zijn angst voor spiegels en zijn fascinatie voor boeken, bibliotheken, dolken en tijgers. Sommige gedichten zijn vormvaster dan andere, het taalgebruik van Borges blijft echter gelijk. Dat is mogelijk debet aan zijn redigeerdrift, zijn de vroege werk nam hij voor zijn Obras completas / Poesía completa grondig onder handen. Dat taalgebruik is overigens opvallend weinig intellectueel: het is alledaags en zeer muzikaal.

Waar zijn de honden?
De vertalers van Alle gedichten, Barber van der Pol en Maarten Steenmeijer en hun redacteur W. Hansen, hebben de gedichten zorgvuldig vertaald met het oog op vormbehoud. Enkele vertaalkwesties daargelaten (archaïsch taalgebruik als 'ochtendstond' en 'vermetel'; soms ongenuanceerde omzettingen als in 'Recoleta' van sombra (schaduw) naar 'duisternis' en omissies, bijvoorbeeld in het gedicht 'Een Saks (449 A.D.)' waar het woord 'honden' moet zijn weggelopen), is deze vertalingswijze goed gelukt: de vorm is behouden.

Deze formalistische vertaling maakt dat het postmoderne essayistische en verhalende karakter van de gedichten meer voorop komt te staan dan in hun originelen. Wat de vraag oproept of een dergelijk formalistische benadering wel zo wenselijk is wanneer poëticaliteit erdoor naar de achtergrond neigt - ondanks dat vorm vrij kenmerkend is van Borges' poëzie. Voor de lezers die geen Spaans lezen, is het haast alsof ze iemand een ritme zien tikken op een tafelblad: de melodie moeten ze er zelf bij bedenken. Terwijl dat voor de dichter nou juist zo belangrijk was. Als hij in 1967 tijdens zijn collegereeks This craft of verse aan Harvard 'muzikaliteit' tegenover 'betekenis' plaatst, stelt hij: 'what is important is a certain music, a certain way of saying things'.

Hart ophalen
Het neemt niet weg dat in Alle gedichten een groot aantal onwrikbaar sterke verzen staan en Borgesliefhebbers zullen hun hart kunnen ophalen. Bijvoorbeeld met het meest afsluitende gedicht van de bundel:

DOOMSDAY

Het zal zijn als de bazuin weerklinkt, zoals Johannes de
Theoloog schrijft.
Het was in 1757, volgens getuigenis van Swedenborg.
Het was in Israël, toen de wolvin het vlees van Christus aan het
kruis sloeg, maar niet alleen toen.
Het gebeurt bij elke hartslag van je bloed.
Er is geen ogenblik dat niet de krater van de Hel kan zijn.
Er is geen ogenblik dat niet het water van het Paradijs kan zijn.
Er is geen ogenblik dat niet geladen als een wapen is.
Elk ogenblik kun jij Kain of Siddharta zijn, het masker of het
gezicht.
Elk ogenblik kan Helena van Troje jou haar geliefde openbaren.
Elk ogenblik kan de haan driemaal hebben gekraaid.
Elk ogenblik laat de waterklok de laatste druppel vallen.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

woensdag 16 november 2011

Mark Strand - Bijna onzichtbaar

De tuin van de melancholie
Ook in het tweetalige Bijna onzichtbaar toont de Amerikaanse oud-Poet Laureate Mark Strand zich opnieuw een uitmuntend benoemer van de leegte. Maar houdt deze van zijn oeuvre afwijkende bundel stand?

Naast zijn dichterschap is Strand prozaïst, vertaler en redacteur. Hij werd beroemd door zijn met absentie doordrongen literatuur. De Pullitzer Prize die hij in 1999 kreeg voor de bundel Blizzard of One zal aan zijn faam zeker een bijdrage hebben geleverd. Onsterfelijk zijn gedichten als 'Keeping Things Whole' en 'Eating Poetry'. Toen hij in 2006 in Nederland was naar aanleiding van het tevens door de dichters/academici Wiljan van den Akker en Esther Jansma vertaalde Gedichten eten, bleek hij met zijn voordracht bovendien zijn poëzie een leven in te blazen op een manier waarop alleen een ware voordrachtskunstenaar dat kan.

Ditmaal geen gedichten
Naast dat Strands werk doordesemd is met het thema van de leegte, wordt zijn werk gekenmerkt door precies taalgebruik en surrealistische beelden. Enige mate van humor kan hem evenmin ontzegd worden. In Bijna onzichtbaar komen daarbij veel personages voor die oud zijn en vaak alleen. Soms komen ze na lange tijd weer terug op een plek die ze lang geleden verlieten en sindsdien sterk veranderd is. De titel moet in de eerste plaats dan ook niet in ruimtelijke zin worden opgevat, maar in temporele: de bundel zet zich met teloorgang uiteen.


Bijna onzichtbaar is een vreemde eend in het oeuvre van Strand. De dichter maakte ditmaal korte prozaïsche fragmenten die bestaan situatieschetsen en parabels. Proems noemt Strand ze, een portmanteau van poems en prose, maar het is een term die tekortschiet. Hij gaf die naam al eerder aan een gedicht uit Donkere haven (1993, vertaling Frans Despriet) dat nog een duidelijke vorm van een gedicht heeft. Ook zijn de fragmenten weinig poëtisch, al suggereren de ritmische opbouw van de zinnen en constructies als: 'het glazen kasteel van mijn andere leven' soms het tegenovergestelde.

Bagatel
De term miniatuur past beter en is bovendien al eens eerder aan soortgelijke literatuur gegeven. Strands miniaturen richten zich op één gegeven en beslaan nooit meer dan een halve bladzijde, zoals in 'Bagatel in Key West':

Vlak voordat ik op de bank in slaap viel, verbeeldde ik me
een kleine verschijning te zien die languit op een identieke
bank  lag  te  slapen.  'Wakker  worden  ventje,  wakker
worden,' riep ik.  'Degene op wie je  wacht  rijst  gewikkeld
in bruisende schuim op  uit zee en komt  spoedig  aan land.
Onder haar voeten zal de tuin van melancholie heldergroen
worden  en  de briesjes worden  licht als de  adem van een
boreling. Wakker worden, voordat dit schepsel uit de diepte
verdwijnt en alles leeg wordt als slaap.'Wat doe ik mijn best
om het ventje te wekken, wat slaapt hij diep. En wie de zee
ontsteeg, haar moment voorbij,  wat  is ze hard geworden -
zo hard die brandende ogen, dat brandende haar.

'Bagatel in Key West' is een van de weinige blijvend intrigerende teksten in de bundel. Doordat het zo surrealistisch is lijkt het bovendien on acid te zijn geschreven, wat voor een gedicht dat op een van de Keys is geschreven wel toepasselijk is - op de veelal uit trailer parks bestaande eilanden stikt het van de vrijgevochten hippies.

Soufflés
Het lastige van miniaturen is dat perfectie cruciaal is. Ontbreekt die, dan zakken ze als mislukte soufflés in en helaas komen verschillende miniaturen niet verder dan een situatieschets. De licht filosofische toon van die stukken krijgt hierdoor al gauw iets gratuits.

Helaas schort het hier en daar aan de vertaling. Zoals in het hierboven geciteerde gedicht, waarin 'in bruisende schuim' en een ontbrekende komma tussen 'wacht rijst' in het oog springen. Met komma's is sowieso vrij zuinig omgegaan, zeker in vergelijking met de originele teksten. De veronderstelling dat vertalingen uit het Engels altijd meer woorden nodig hebben dan hun brontekst, is echter door Van den Akker en Jansma naar het rijk der fabelen verwezen. Dat is knap. Bovendien heeft een gearrangeerde ontmoeting met Mark Strand in Madrid een nauwgezette omzetting van de betekenis wel kunnen afdwingen. Gelukkig maar.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

dinsdag 15 november 2011

Portretten van Alzheimer

Op 12 en 14  november in Haarlem en Alkmaar Portretten van Alzheimer gepresenteerd. Het waren een razendinteressante podia over literatuur en deze vorm van dementie die georganiseerd werd door Rachel Visscher, auteur van Zwarte dauw  (2011). 




In het licht van de huidige politieke en economische situatie, zocht het op pragmatische(!) wijze naar hoe literatuur zich (weer) noodzakelijk kan maken voor  de maatschappij, in concreto de zorg. Bij de middagen stond de mantelzorger centraal. Drie verzorgers van Alzheimerpatiënten hadden hun zorgverhalen opgeschreven en deze onder leiding van Visscher omgewerkt tot korte verhalen. 

Hun voordrachten van die korte stukken literatuur tijdens Portretten van Alzheimer, werden omlijst door muziek, film en poëzie. Niet alleen was het publiek erg te spreken over de middag en voor ook de mantelzorgers was het erg waardevol. Topmiddagen!

vrijdag 28 oktober 2011


treedt op in de Domtoren. Met Hanneke van Eijken, Anne Broeksma, Nadine Ancher en Margriet Dorrestijn. Met 't Poëziecircus. Nota bene boven God. In het donker. In de kou. Multisensorische sensaties. Wat? Sensaties, stimuli, prikkels, en andere gewaarwordingen. Zaterdag 29 oktober. Tussen 21:00 uur en 02:00 uur. Museumnacht. Komt ook!

http://www.poeziecircus.nl/agenda/view/340/
http://museautrecht.nl/flipping_book/museumnacht11/#/10/

donderdag 13 oktober 2011

Anne Vegter - Eiland berg gletsjer


Pijpen van plezier

Anne Vegter is een opvallend speelse auteur, van wie veel dichtwerk met erotiek doordesemd is. Zo ook in de voor de VSB Poëzieprijs 2011 genomineerde bundel Eiland berg gletsjer, al kan het er soms tussen de dijen onder nul zijn...

Erotiek is een van de lastigste onderwerpen in de literatuur. Een kleine greep uit de vele prozadebuten van de afgelopen jaren laat het zien: in poging effect te sorteren, verworden ze tot een zoveelste boek waarin geneukt wordt. Nee, lees Brodkeys korte verhaal Onschuld maar eens of de bloemlezing Hard en teder van Blondeau en Van den Berghe die van recentere datum is. Vegters poëzie echter, lust er ook wel pap van.

Gordijnerotiek
In Eiland berg gletsjer staan tussen de gedichten erotische tekeningen die gemaakt zijn door Vegter zelf. Wie aan de bundel begint kijkt op matrashoogte tegen de vagina van een met haar benen gespreide vrouw. Je ziet drie piemels op hun balzakken balanceren en een man naar zijn erecte manhood kijken.

Maar pas op: de gedichten zijn geen tekstuele youporn-fragmenten. Evenmin stijgen ze op in gekuiste Hoogliedlyriek. Vegters erotiek - dat heet, de erotiek in haar werk - gaat vaak van schaduwen vergezeld. Het is gordijnerotiek, datgene waarover men niet zo graag opschept maar binnenskamers houdt. In 'Persoonsverwisselingen' wordt bijvoorbeeld de liederlijke vrijheid bezongen die vreemdgaan heet:


Ik liet je ja neuken omdat het bij een nieuwe vriendin
vaardigheden heette. Wat tussen ons veranderde dacht je


en of dat de doorslag van iets zou geven.

Vegters ironie is snijdend en zo ook de woede van de ik-persoon, die overigens (o ironie) erg geestig is opgetekend:

Hoe hervindt mijn basisaap zich:

stamoudste, alphamale, immoreel. Thuis verdelen we in bed
in verhouding twee staat tot één.

Intimiteit
Meer nog dan om erotiek, gaat het om de zucht naar intimiteit en het verlies ervan. Als in het gedicht 'Tramps' afscheid genomen wordt van een ex-geliefde, is de erotiek koud en agressief in haar sarcasme.

Tramps

Je had het over gevoelstemperatuur, onder nul vond je het tussen mijn dijen
in de vertrekhal. Na je tas hebben we elkaar heart to heart omhelsd,

man ik kon je wel pijpen van plezier. Luister je eigenlijk nog.

We maakten stroeve vogels na, een doodsmak ontwierp je op papier
had je wat napret van je verveling. Het werd lastig redenen te vinden op die manier.

Als het glas van je vinger springt zoek je iets tegen breukjes en zout op.
Het tapijt grijnst. Wil nu godverdomme iemand opstaan en me vasthouden.

Opvallend is de afwezigheid van vraagtekens. Er wordt geëist dat iemand opstaat en de ik-persoon vasthoudt, maar de vraag blijft uit - er is niemand om op te staan. Eerder in het gedicht luistert de ex-geliefde ook niet meer; elk vraagteken is overbodig. Dit afscheid is definitief en dat levert, zoals je dat zelf bij veel relatie-eindes kan ervaren, gemengde gevoelens op. 'Tramps' laat dat op treffende wijze zien, dat feest van hernieuwde vrijheid en die verzuurde maag van ledigheid.

Oplevend dood
Wie geilt op goede poëzie, kan maar beter doorlezen: Vegters bundel is compromisloos. Om de regels in de 'titelcyclus' te kunnen lezen moet je de bundel een kwartslag draaien. De cyclus gaat over een stel met kinderen dat een 'diepteoorlog' met elkaar voert (waarin overigens toch een vervoeging van het woord neuken een keer of vijf, al dan niet overdrachtelijk voorkomt), waarin uiteindelijk drie dingen op het spel staan: de liefde (eiland), de toekomst (berg) en de zinnelijkheid (gletsjer): 'Ook als jij 'n laatste atoom van je lichaam schraapt, zou je oplevend dood willen zijn / als laatste hart (eiland), als laatste berg (buik) of gewoon schitterend als kut (gletsjer).'

Een ander gedicht, 'Dochter van', neemt achttien bladzijden in beslag, tweeëntwintig als je de tekeningen die eraan voorafgaan en de titelpagina meerekent. Dit om ademloos te lezen gedicht is een incestueuze pendant van de ark van Noach met een ijzingwekkend bloedheet einde, twee connotaties die elkaar in dit gedicht niet bijten.

Oosterhoff
Erotiek is in Vegters werk maar een van de middelen om tot interessante poëzie te komen, een domper wellicht voor de op sensatie beluste lezers van deze recensie. Haar taal is bedrieglijk alledaags, hoe ze haar woorden kiest, soms vloekt en Engelse frasen opneemt. Interessant is ook haar subtiele ode aan Tonnus Oosterhoff. Net als in zijn bundel Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen (2003) staat in Vegters bundel een met pen bewerkt gedicht - het is in zijn totaliteit doorgekrast.

Vegters poëzie mag in haar taalgebruik wel alledaags zijn, zij ontsluit zich niet zo gauw. Juist dat maakt haar zo interessant en voor verschillende lezingen vatbaar. Ze is zinnelijk, warm, koud en afstandelijk tegelijkertijd. Er zit een hunkering in naar nabijheid, maar niet zonder het tegendeel daarvan invoelbaar te maken. Eiland berg gletsjer vriest en smelt als ijs, is eeuwig en groots als bergen en weet zich eenzaam en omvat als een eiland; een bundel die je niet gauw weglegt.
Gepubliceerd op: 8WEEKLY