zaterdag 1 oktober 2011

Jeroen Mettes - Nagelaten werk


De Mei van onze tijd?

Over de doden niets dan goeds. Maar in hoeverre is de publicatie van deze mondaine, intellectuele hagiografie van Jeroen Mettes' in Nagelaten werk, het 'verboekte' blog Poëzienotities en postuum gepubliceerde prozagedicht in N30+, van toegevoegde waarde?

Mettes, die werkte aan een proefschrift over poëtische ritme, hield van juni 2005 tot september 2007 het spraakmakende weblog Poëzienotities bij. Daarop besprak hij dichters op alfabetische wijze, maar verder dan de G van Goudeseune kwam hij niet. In september 2006 pleegde hij zelfmoord na het plaatsen van een leeg bericht. Samen met het duimdikke prozagedicht in N30+ is het blog geredigeerd in het Nagelaten werk opgenomen onder de noemer Weerstandsbeleid, Nieuwe kritiek.

Nieuwe vs. neo

Poëzienotities was spraakmakend omdat Mettes' intelligente posts onverbloemd kritisch waren. De vanuit een ietwat ouwelijke houding in fris en helder taalgebruik geschreven teksten hebben een duidelijke mening en zijn (literatuurwetenschappelijk) onderbouwd - het is deze weinig voorkomende en genoeglijke combinatie die van de samenstellers de connotatie 'nieuwe kritiek' krijgt. Daarmee krijgt Nagelaten werk ook een pamflettistisch karakter: dit is dé nieuwe uitoefening van literaire kritiek.

Deze 'nieuwe kritiek' onderscheidt zich van de neokritiek . In 1997 gemunt door socioloog Rudi Laermans in De witte raaf, is neokritiek een radicaal subjectieve kritiek die voorbij gaat aan de inhoud en zich richt op 'het ontmaskeren van anderen, en hun spreken en handelen, in termen van persoonlijke belangen, macht, posities ...'.

Anarchistische kritiek

Maar neem de connotatie 'nieuwe kritiek' bij Weerstandsbeleid niet te serieus. Mettes heeft daar geen patent op: ondermeer Ter Braak, Vestdijk en Nijhoff gingen hem voor. Zijn kritiek is even anarchistisch als methodisch te noemen. Anarchisme klinkt met name door in de grote verscheidenheid van onderwerpen. Wordt de ene keer de poëzie van een dichter besproken, dan is het een volgende keer slechts één gedicht of wordt alleen over een flaptekst van een bundel geschreven. Soms gaan de teksten over poëzie, andere keren ligt de nadruk meer op een associatie die uit de poëzie voortkomt.

Bovendien is een goed deel van Weerstandsbeleid, zeker naarmate Mettes' einde nadert, steeds meer gevuld met flarden die niets of maar zijdelings met nieuwe kritiek te maken hebben. Uitstapjes zoals naar Hölderin en Levinas, naar frasen (zoals 'voetbal is kunst' en 'meiden percipiëren lezen als funactiviteit') die hij niet meer wilde horen en zijn top 10 van populaire muziek, ze nemen hand over hand in aantal toe. Als je die uitstapjes als kritiek wilt zien, neigen sommige naar de neokritiek waarvan Mettes zich bij zijn literatuurbesprekingen juist onderscheidt.

N30+

Bezijden de vraag hoe blijvend (data op) internet is, kunt je de vraag stellen in hoeverre de publicatie van het blog van toegevoegde waarde is, gezien het informatieverlies (beeldmateriaal, links, discussies e.d.), temeer Mettes' project nooit gecompleteerd is. Waarom een boek kopen als het in zijn meer interactieve vorm op internet vrijelijk beschikbaar is? Zijn de vijf aan Weerstandsbeleidtoegevoegde academische essays van Mettes daarvoor afdoende? N30+ is echter een geheel andere kwestie.

Naast twee eerder gepubliceerde cycli, beslaat het leeuwendeel een 114 bladzijden tellend prozagedicht N30. Dat is te omschrijven als een dichterlijke variant op Valery's Monsieur Tête. Het balanceert tussen een fragmentarische aaneenschakeling van extatische kretologie, oneliners en platitudes, én raak aaneengeschakelde zinnen met taalvondsten, interessante ideeën en mooie beelden. Min of meer overeenkomstig met zijn beeld van de wereld: een wereld die bestaat zoals je die kent als je over straat loopt, 'wat niet de vorm van een anekdote is, maar een dynamische assemblage', verwoordt hij in een e-mail aan zijn vriend, de dichter/componist Samuel Vriezen.

Assemblage

Mettes wilde ook een episch gedicht schrijven, maar omdat Mettes geen narratief gebruikt maar zinnen assembleerde, is het geëngageerde gedicht daardoor satirisch geworden. Ontstaan in de schaduw van de protesten tegen de Wereldhandelsorganisatie eind 1999, achtte Mettes verandering mogelijk, maar, schrijft hij 'als de grondtoon van dit werk meer wanhopig dan utopisch klinkt, dan komt dat niet per se door de reeks catastrofen die ons sinds 1999 steeds dieper in een rechtse nachtmerrie hebben gestort, - een nachtmerrie waar het werk evengoed rekenschap aflegt - maar omdat mijn hoop vooralsnog leeg blijft'.

De grondtoon is inderdaad weinig utopisch; het geluid van een gepornoficeerde, geweldadige, narcistische, populistische en sterk kapitalistische maatschappij klinkt door in N30. De Golfoorlog, Palestina, en de oorlog tegen het terrorisme, WOII en de jodenvervolging zijn thema's die steeds terugkeren. Een willekeurige passage leest als volgt:



O ironie! Laten we emigreren!
Het leger vuurt traangas af op winkelende Palestijnen. En luid hinniken de hymnen aan de god die jou, lezer, blind en gebonden, in hun armen heeft doen vallen. Wat de nar belooft... Er is een dier-worden van mensen, maar geen mens-worden van dieren. Bewijs: mijn grote tieten. Daar kun je ook heel genuanceerd over doen. Hoewel ik stomdronken ben en moe. Waar lopen we op? De onbereidheid tot sterven is niet alleen symmetrisch met de professionalisering en technocratisering van de oorlogsmachine; ze weerspiegelt de organisatie van een schimmige, transnationale soevereiniteit, die niet langer opofferingsgezindheid eist van haar onderdanen, maar hen in tegendeel verplicht tot leven. Hier (tegenover de zee in de winter) heb ik Herman Gorter gelezen.



De Mei van onze tijd?

N30 heeft in zijn noviteit wel iets weg van de Mei (1889) van deze Gorter, die daarmee de poëzie opnieuw 'uitvond'. Mettes prozagedicht is zo nieuw dat hij er de term 'nieuwe zinnen' aan verbond.  Radicaal nieuw is het echter niet. Enkelen gingen Mettes op andere schaal voor, Pound bracht zinnen uit de wereldliteratuur in zijn Cantos samen en Kees 't Hart - in de Groene Amsterdammer lyrisch over Mettes Nagelaten Werk - deed een al een niet-geëngageerde duit in dit zakje met 'Spiegel' uit Ik weet nu alles weer, al speelt het gedicht zich af op woordniveau, in plaats van op het zinsniveau van Mettes. Of met N30 een nieuwe literatuur gesticht wordt, hangt af van de mate waarin het wordt nagevolgd. De tijd zal het leren.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

dinsdag 27 september 2011

Peter van Lier en Machteld van Buren - Wisseling van de wacht



Een bijzin maakt nog geen poëzie


Fusion is hip, leert deel 134 van de Slibreeks. Dichter Peter van Lier en beeldend kunstenares Machteld van Buren sloegen de handen ineen. Het resultaat is Wisseling van de wacht, een bundel met het uiterlijk van een schoolschriftje.

De Slibreeks wordt al sinds 1977 vier maal per jaar door Centrum Beeldende Kunst Zeeland uitgegeven. Het doel is een laagdrempelige kennismaking met uiteenlopende literatuur en de uitgaven zijn vaak bijzonder mooi geïllustreerd. Publicaties van illustere auteurs als J. Bernlef, Astrid Lampe en A.L. Söteman gingen vooraf aan Van Liers & Van Burens verbeelding van het veranderende Zeeuwse(?) kustlandschap.

Beschrijvingen en collages
Van Liers poëzie munt uit in haar beeldende beschrijvingen van plaatsen en situaties. Vooral de natuur komt veel in zijn gedichten voor. Voor wie met zijn oeuvre bekend is, is dat dat niet nieuw; het speelt ook een bovenrol in het bij wijlen erg geestige Zes wenken voor muggen aan de deur dat in 2007 bij Van Oorschot verscheen. Honden; kustlijnen; een zeearm, je komt ze voortdurend tegen in Wisseling van de wacht. De menselijke invloed op de natuur laat zich eveneens gelden: kaalslag en nieuwbouw, de worstjes van een nieuwe bewoner, het loodswezen en vissers. De verdichte thema's worden op de voet gevolgd door Van Burens collages die uit beeld en verschillende soorten papier bestaan: robben, de zee, een dame die op een ladder de zee uit klimt, Borsele(?).

Sommige gedichten zijn echter eerder conceptueel dan beeldend en springen daarmee uit de toon. Zie bijvoorbeeld het onderstaande gedicht:

Ook
een bunker in je
                                    achtertuin?
Dat
                                                een zeearm
                                                                        het
                                                                        land in
                                                                                   trekt


Om eens flink
te treiteren?

                        Treft niemand persoonlijk.

Primair is de laatste regel een imperatief, maar het kan ook gelezen worden als een direct commentaar op de in het gedicht gestelde vragen: [het] treft niemand persoonlijk. Die dubbelheid ontstaat vooral doordat de regel afsluit met een punt in plaats van een uitroepteken. Hoewel ambiguïteit poëzie erg interessant kan maken en voor verschillende lezingen vatbaar, komt uitsmijter nu geforceerd over. De regel lijkt conceptueel en maakt 'Ook' niet zo gaaf als de andere gedichten.

Bijzinnen
Wat opvalt aan Van Liers gedichten is het regelmatig terugkeren van bijzinnen. Dat dit niet altijd even goed werkt, is te illustreren met de tweede zin van het gedicht 'Nooit' dat tegen een industriële collage is afgedrukt: 

Nooit
met de pretenties van een
diva
glijdt een kustvaarder
                                       voorbij,
                                                             maar



                                                                    vergis je
                                                                    niet. In


wat uiterlijkheid kan doen is – gelukkig –
het

lokale zeewezen onder het mom van goedlachs
aan de kade de hele dag

op ramkoers.

Die neiging om bijzinnen te gebruiken, maakt sommige gedichten nodeloos vaag. Die vaagheid komt de lage drempel van de Slibreeks niet ten goede. In Wisseling van de wacht zoek je naar  meer helderheid.

Toch een kleinood?
Deze rust wordt gelukkig enigszins in de bundel gebracht door de mooie vormgeving en de thematische samenhang. En hoewel je vraagtekens kunt plaatsen bij de soms puur visueel te motiveren zetting van de woorden over de bladspiegel, sluiten beeld en tekst op vrolijke en associatieve manier op elkaar aan. Het maakt Wisseling van de wacht uiteindelijk toch een kleinood.

Gepubliceerd op www.8WEEKLY.nl

maandag 5 september 2011

maandag 29 augustus 2011

4 SEPTEMBER, SLAU OP UITFEEST: Laurent Binet, Andrea Bajani, Hans Aarsman en Merijn Schipper

Op het Utrecht Uitfeest start SLAU het nieuwe literaire jaar met optredens van diverse toonaangevende auteurs. In het Utrechts Archief ontvangt schrijver Hans Schellekens de Italiaanse auteur Andrea Bajani, Volkskrant-fotojournalist Hans Aarsman en Prix Goncourt-winnaar Laurent Binet. De optredens zijn gratis toegankelijk. Voor elke bezoeker is er een gratis exemplaar van het Utrechtgedicht van de maand september, geschreven door dichter Merijn Schipper.





14:00 uur: Andrea Bajani & De Belofte

Andrea Bajani leverde met Wie houdt dan stand twee jaar geleden een opzienbarend debuut af. De precieze taal en verstilde toon van het boek wierpen de vergelijking op met Bajani's immens populaire landgenoot Paolo Giordano. 'Wie geroerd werd door De eenzaamheid van de priemgetallen, moet nu naar de boekhandel rennen,' aldus Alle Lansu in het Parool destijds. Op het Uitfeest presenteert Bajani zijn tweede roman De Belofte: Elke avond legt Pietro zijn oor vol verwachting op de buik van Sara om te horen of daarbinnen iets groeit. Zijn hoop slaat om in wanhoop als Sara maar niet zwanger raakt. Op een dag is ze verdwenen. Het enige wat ze achterlaat is een briefje waarop staat 'Je moeder heeft gebeld. Mario is dood. Wie is Mario?" Die vraag is voor Pietro aanleiding tot een zoektocht in het verleden, waarbij hij stuit op een onverwerkt familietrauma.

                                                      
(Foto: Bertrand Guay - AFP/ANP)


15:00 uur: Laurent Binet & HhhH
Laurent Binet schreef met HhhH hét boek van afgelopen seizoen. Het gruwelijke verhaal over de nazibeul Reinhard Heydrich en diens misdaden wordt door Binet op een hoogst persoonlijke wijze verteld. Binet componeert het boek zodanig dat zijn eigen stem als verteller en die van de historische personages voortdurend met elkaar vervlochten zijn. Het boek kreeg vorig jaar de prestigieuze 'Prix Goncourt du premier roman' en heeft inmiddels zo'n twintig vertalingen op zak. Binet vertelt hoe hij het verhaal over Heydrich op het spoor kwam en zijn bijzondere compositie creëerde. 

(Foto: Bob Bronshoff)

16:00 uur: Hans Aarsman & De Aarsman Projectie

Hans Aarsman is schrijver en fotojournalist. Twee jaar geleden verscheen zijn boek Ik zie ik zie en tegenwoordig schrijft hij wekelijks in de Volkskrant over foto’s van anderen, in de rubriek ‘De Aarsman collectie’. MaandeIijks is hij ook te zien in De Wereld Draait Door met een eigen optreden over kijken, zien en fotograferen in alle toonaarden. In januari 2012 verschijnt zijn nieuwe boek De fotodetective en vanaf februari staat hij in het theater met de voorstelling De Aarsman Projectie. Op het Uitfeest geeft Aarsman een voorproefje van zijn nieuwe boek en voorstelling. 

SLAU start het literaire seizoen
Utrechts Uitfeest, 4 september, 14:00 / 15:00 / 16:00 uur.
Utrechts Archief, Hamburgerstraat 28, Utrecht
Gratis entree.
14:00 uur: Andrea Bajani & De Belofte
15:00 uur: Laurent Binet & HhhH
16:00 uur: Hans Aarsman & De Aarsman Projectie
13:00-17:00: Expositie 'De drempelschroom verdrijven'
14:00/15:00/16:00: Merijn Schipper (Utrechtgedicht van september)

woensdag 24 augustus 2011

Arnoud Rigter - Het duimzuigend fossiel

Ein kleines Gesamtkunstwerk, of: de geboorte van een (sub)genre


De grenzen van wat poëzie vermag, worden steeds meer opgerekt. Dat blijkt uit een fascinerend werk als Het duimzuigend fossiel van Arnoud Rigter (1978). Het is zo uniek dat we er bijna nieuw genre voor moeten bedenken.

Bijna dan, want anders dan zijn eerdere dichtbundels, plaatst de voormalige stadsdichter van Eindhoven zich met zijn vierde bundel Het duimzuigend fossiel onder het kopje van de figuratieve poëzie. Dit is een dichtvorm waarbij een grote nadruk ligt op de visuele (re)presentatie van een gedicht en binnen de figuratieve poëzie is deze bundel op het eerste oog te plaatsen onder het subgenre van de graphic poem. De graphic poem of stripgedicht is een pendant van de graphic novel, in Nederland vooral bekend van Dick Matena's verstrippingen van Elsschot, Reve en Wolkers.

Figuratieve poëzie
De graphic poem onderscheidt zich binnen de figuratieve poëzie van concrete en van visuele poëzie. Bij concrete poëzie gaat het om de beeldende kwaliteit van letters. Feesten van Angst en Pijn van Paul van Ostaijen is daar een goed voorbeeld van en maar ook de laatste bundel van Ruben van Gogh, Klein Oera Linda (2008). Bij visuele poëzie worden naast of buiten lettertekens, ook andere tekens gebruikt. Dat laat bijvoorbeeld Renaat Ramon zien in Zichtbare stem (2009): in het gedicht 'Poete maudit' speelt hij een ironisch spel met uniciteit: het toont een bolhoed boven twee langgerekte kapitale letters 'N' (de Vlaamse abbreviatie van 'Nationaal Nummer' – pendant van het Nederlandse burgerservicenummer). Bij een stripgedicht vormt beeld de context van een tekst, al verschilt Het duimzuigend fossiel hierin 'enigszins' van het Nederlandstalige stripgedicht.

Wat is zo kenmerkend aan die stripgedichten? Ten eerste is een stripgedicht meestal het product van twee kunstenaars, de dichter en de striptekenaar. Voor zover mij bekend, is Lies van Gasse's Sylvia (2010) de enige bundel die bij een erkende literaire uitgeverij is uitgekomen waarin dichter en tekenaar dezelfde persoon zijn. Wanneer tekenaar en dichter verschillende personen zijn, zijn de afbeeldingen al gauw plaatjes bij een praatje. De striptekenaar geeft een creatieve draai aan de interpretatie van het gedicht en laat daar zijn technisch kunnen op los. Ten slotte bezitten vrijwel alle verstrippingen van gedichten een narratief.

One of it's kind
In tegenstelling tot de meeste stripgedichten, schreef en tekende Arnoud Rigter zijn bundel zelf. Anders dan in Sylvia en andere verstripte poëzie, zijn tekst en beeld in de dertien stripgedichten vrijwel onscheidbaar. De tekst maakt deel uit van het beeld en het beeld lijkt soms tekstuele aspecten te bezitten. In zijn vorige drie bundels speelt beeld een meer illustratieve rol. Hoewel Rigter de stripgedichten 'gedichtachtigen' noemt, lijkt het mij door de hechte vermenging van beeld en tekst bij gebrek aan een betere aanduiding handiger om zijn werk met de term 'beeldgedichten' te benaderen. Beeld en tekst lijken hier en daar in andere bladzijden door te schemeren, alsof de bundel is gemaakt met transparant papier. Rigter paste dit 'doorschemereffect' ook al toe bij zijn debuut Gruzelemensen (2005) en het geeft het effect van een filmboekje waarbij je, door de bladzijden door je vingers te laten schieten, de illusie van beweging creëert. Een duidelijk narratief ontbreekt in Het duimzuigend fossiel echter.

Rigters barokke, soms karikaturale tekenstijl roept uiteenlopende associaties op. Het doet denken aan tatoeagekunst, strips als Elfquest, maar ook aan tekeningen van de surrealiste Unica Zürn. Vrijwel elk beeldgedicht kent een wildgroei van lijnen, vlakken en vormen. Maar door de vele rechte lijnen en de dieptewerking ontstaat rust. Doordat zich dingen op de voor én achtergrond afspelen, krijgen de tekeningen bovendien een gelaagdheid die intrigeert. Door een eenvoudiger getekend beeldgedicht middenin de bundel – deels bestaande uit steeds verder uitgevlakte ruggengraat – wordt een zeker evenwicht in Het duimzuigend fossiel gebracht.

De gebruikte letters zijn in verschillende dikte, grootte en typen getekend. Bovendien is de verspreiding van de tekst over de bladspiegel ruimtelijk: tekst komt overal op de bladzijde voor en meer dan eens is een horizontale lezing onmogelijk doordat de tekst diagonaal loopt of krommingen maakt.
Uit de tekenstijl blijkt een grote affiniteit met technisch tekenen, wat niet vreemd is: Rigter studeerde af als architect. Menselijke vormen doen daarentegen gekunsteld of zelfs kinderlijk aan, maar door het precisiebombardement van visuele en tekstuele impressies die tot speels interpreteren aanzetten, stoort dit 
niet. 

Fris als goede sashimi
Tekstueel–inhoudelijk is Het duimzuigend fossiel overwegend surrealistisch te noemen. Dat komt door markante associaties en woordcombinaties als: 'men neme een lichtsmeuïge crashtestdummy' en 'ideosyncratisch gegulp' zijn fris als als goede sashimi. Met de oneliners als 'mijn tranen hebben tenminste elkaar nog', die al eerder op een zakdoek opdook in de bloemlezing Zieteratuur, Concrete en visuele poëzie uit Nederland en Vlaanderen (2010) en 'mama's eisprong is mijn privé-oerknal' is het goed dwepen. Een dikke zweem smart of empathie moet de onderstaande passage uit 'De man met de schedel op zijn hoofd' toch wel opwekken:


Hij verdiept zich in blauwhelmen en roodkapjes
en vindt zodoende de ambiance uit

(van zulke cultivering zal zijn maag gaan knorren)

hij klemt zijn grillen in maatpak
strijkt zijn hartstreek vlak

knoopt zich in toom
Home Sweet Home

zwijgt zijn gebit
terug in 't gelid

en steekt zijn kop
in de muil van
zijn hoed


Het duimzuigend fossiel komt met een begeleidende CD, waarvan de nummers corresponderen met de beeldgedichten van de bundel. Tot musicaal-literair Gesamtkunstwerk komt het echter niet. Want hoewel de nummers door hun grillige karakter van zowel de CD met de bundel overeenstemmen, leidt de muziek door haar theatraliteit en korte duur teveel van het lezen af. (Een aantal van de nummers zijn hier te beluisteren.)

De eerste pink
Tekst en beeld vormen in Het duimzuigend fossiel echter wel een hecht geheel. Dit illustreert het beeldgedicht 'De eerste pink' Het beslaat vier bladzijden. Uit de afsluiting van dit beeldgedicht, blijkt dat het handelt over het gevoel dat je opvoeders of ouders over je schouders meekijken:

(je kunt iemand
dusdanig opvoeden
dat die er een onzichtbare hand
op de schouder
aan overhoudt)

De woorden 'dusdanig opvoeden' staan overigens verticaal en verbinden omringende zinsdelen. De zin is geplaatst in een geschetst bovenaanzicht van een stad. De zin vindt als het ware zijn weg door de stad en wordt daarbij van boven (door de opvoeders) gade geslagen. Dat de zin tussen parenthesen geplaatst is, kan om beeldende redenen zijn: de zin is evenmin onzichtbaar als de 'onzichtbare hand op de schouder'.

Op de eerste bladzijde staat onder de in kapitalen geschreven titel een banier afgebeeld. Daarop staat een complex geheel van blokkige en organische vormen. Een tweetal gezichten zijn daarop duidelijk te onderscheiden. Het complexe geheel doet door zijn structurering aan als een torso of wellicht als de geabstraheerde vorm van een baby. Waarom een torso op een banier? Misschien wel omdat kinderen vaak door hun ouders als wapenfeit worden gezien, iets dat ze met enige trots in de strijd der overleving met zich meedragen. Aan dit meedragen komt nooit een eind, de meeste ouders blijven hierin gulzig, iets wat kan worden geïnterpreteerd door de haast doorschijnende tekst rondom de banier die deels bestaat uit het gedicht 'De uitvinder van de honger', dat overigens pas een stuk verderop in de bundel staat. Naast het banier valt eveneens een onder elkaar geschreven herhaling van de woorden 'GIJ ZULT' op, wat een doordruk lijkt van het gedicht 'Oefening in empathie' dat op 'De eerste pink' volgt. Ook uit deze woorden klinkt de 'onzichtbare hand' door: als dwingende, moraliserende instantie die op de achtergrond je handelen bepaalt.

Op de derde bladzijde, onder de restvorm van het torso – het banier is inmiddels verdwenen, net als de doorschijnende tekst uit 'De uitvinder van de honger' – staat als een omgekeerd vraagteken in blokvormige letters 'DE ONGESMOLTEN BROKKEN'. De woorden komen als het ware voort uit de brokkige vormen van het torso. Misschien is de interpretatie te sentimenteel, maar vanwege de associatie met 'een brok in je keel hebben' zou het hier kunnen gaan om onverwerkte emotie. Associaties met 'met de brokken zitten' (met een mislukte zaak zitten), 'een brok ellende' en 'iemand de brokken uit de mond kijken' kunnen ook van toepassing zijn.

Rondom dit omgekeerde vraagteken staat in een halve cirkel een hartfilmpje dat allengs verandert in een herhaling van de woorden 'uitdeuk hartklop' (die metrisch als het ritme van het hart klinkt) en eindigt bij een stethoscoop, waarvan de oortjes naar een schim op de achtergrond lopen. Op de achtergrond gaat deze kom- of deukvormige verandering vergezeld met hamers die het kloppen of uitdeuken verbeelden. De 'uitdeuk hartklop' kan op emotie duiden die het hart sterk doet bonzen – maar niet zonder dat de ouder hiervan op de hoogte is: hij is de schim op de achtergrond. De hamers kunnen ook duiden op het willen vermorzelen van de ongesmolten brokken. Als dat laatste spoor gevolgd wordt, is woede in het spel, terwijl wellicht om liefde gevraagd wordt: om smelten.

Een coherent geheel
Deze korte interpretatie laat zien dat tekst en beeld een hecht geheel vormen. De wijze waarop de geciteerde, tussen parenthesen geplaatste zin in het beeld is geplaatst, illustreert bovendien 'de sprekende kracht' of iconiciteit die Rigters beeld bezit: het toont het gevoel gade geslagen te worden. Relaties tot anderen, zoals een kind tot zijn opvoeders, kan als thema van Het duimzuigend fossiel worden gezien. Zo zijn komt een man/vrouw relatie aan bod, erotiek en de relatie tussen de individuele of lichamelijke waarneming en de sociale omgeving. Al in het eerste gedicht 'De dolende', dat als een motto gelezen kan worden, blijkt dat het in deze bundel om een dolende mens gaat, los van zijn oorsprong of wortels, die minder afgescheiden is van anderen dan hij denkt.

Een nieuw sub-genre?
Rigter beschouwt zich met zijn laatste uitgave nog steeds 'pre-debutaal'. Wat Rigter tot debuteren rekent, blijft ongewis. Zou de dichter zijn werk niet au sérieux nemen? We hebben te maken met iets zeer bijzonders: doordat beeld en tekst van tweeën een zijn, ontsnapt het aan de noemer 'stripgedicht'. Binnen de Nederlandstalige figuratieve poëzie, is het als een nieuw sub-genre aan te wijzen. Noem het met enige bravoure ein kleines Gesamtkunstwerk. Wie de bundel als een labyrintisch totaalproduct leest, daarbij niet schroomt om hem zo nu en dan ondersteboven te houden en het interpretatieve spel durft aan te gaan, zal er veel plezier aan beleven.


(Een compacte recensie van Het duimzuigend fossiel vind je op www.8weekly.nl)

dinsdag 9 augustus 2011

Umgezetst worden werden worden werden



Also, es ist geschied. Da sind ja einige von meine Gedichte umgezetst werden worden! Wel. Gelukkig niet door mijzelf maar door de getalenteerde Peter Mioch. Die Gedichten finden sie hier!

maandag 8 augustus 2011

7even7


7even7 is een expositie van 7even7 teams van kunstenaars (een team bestaat uit een beeldend kunstenaar en een dichter), die aan de slag 7ijn gegaan met hun interpretatie van het getal 7even7.  Frida Stad en ik hebben een ook een bijdrage geleverd. In ons geval is dat een installatie geworden rondom en over de zeven levensfasen.


De opening is op 7ondag 4 september 2011, om 14 uur. De expositie loopt van 4 t/m 28 september 2011 en vindt plaats in het FORUM-gebouw van de WUR (Wageningen Universiteit en Research), op de Campus (Droevendaalsesteeg 2, Wageningen). Meer informatie op http://www.7even7.webs.com.

Het Forum-gebouw is elke dag van de week open (ook op 7ondag) van 10-17 uur.

zondag 29 mei 2011

leesMEI

VAN LENTE NAAR ZOMER MET GORTER

Op Hemelvaartsdag, donderdag 2 juni, wordt op het Stadserf Rood|Noot te Utrecht tussen 14:00 en 22:00 uur door 101 verschillende voordrachtskunstenaars de hele zinnelijke Mei van Gorter voorgelezen. Waarom moeten we Mei nog horen?
Constatijn Huygens-prijs winnaar A.L. Snijders schreef vorig jaar naar aanleiding van leesMEI in een van zijn ZKV's (zeer korte verhalen) dat 'de dood mij met rust zal laten zolang ik Gorter lees', en heeft gevraagd elk jaar een andere pagina voor te mogen lezen.

Gorter en de Tachtigers
Herman Gorter (1864-1927) behoorde tot de generatie van de Tachtigers, die vooral bekend is vanwege Kloos' adagium dat poëzie 'de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie' was. Dat leidde in de poëzie tot toepassing van neologismen (zoals ritsellicht en tintelsneeuw) en beeldspraak die niet langer vooral leunde op de bijbel en de Griekse mythologie, maar zoals ook bij Gorter, steeds meer op de levende Nederlandse natuur.

Gorter was binnen de generatie van de Tachtigers een vreemde eend in de bijt. Niet alleen was hij een periode socialist – wat tegenover het ultieme individualistische adagium van de Tachtigers stond, maar ook liet hij al vrij vroeg in zijn carrière de vaste versvorm los. Bovendien stapte hij van het gebruik van het eindrijm af en toonde een zekere minachting voor correcte syntaxis of zinsbouw.

Van kind naar volwassene
Mei heeft een filosofisch-metafysische inslag: de idee dat de vergankelijke natuur en de eeuwige ziel nooit tot een blijvende verbintenis kunnen komen. De dichter zou als een van de weinige stervelingen iets van die ziel kunnen voelen en dat kunnen verklanken in poëzie.

Voor wie ook maar enigszins van gedichten houdt, is de Mei als aarde en brood; het hoort bij je, je hebt het nodig, je wilt er mee leven. 'De meeste mensen kennen alleen de eerste regel – "Een nieuwe lente en een nieuw geluid"', aldus initiatiefnemer Hans Heessen. 'Bijna niemand heeft het ooit helemaal gelezen. Pagina voor pagina moet het samen lukken.' In het vijfduizend regels tellende gedicht wordt het leven zintuiglijk en klankrijk verdicht. Het omschrijft de overgang van lente naar zomer, van kind naar volwassene.

Tegen de tijdgeest
Je zou LeesMEI de volkse pendant van de The 21st Annual Simply Shakespeare Celebrity Reading kunnen noemen, al is de lezing niet verstoken van prominenten. Onder de lezers bevinden zich onder meer Ester Naomi Perquin, Erik Bindervoet, gambist Ralph Rousseau Meulenbroeks, Daniëlle Serdijn en Kees 't Hart. De voordracht wordt regelmatig aangevuld met geïmproviseerde composities van geluidskunstenaars en vingervoedsel.

donderdag 26 mei 2011

Hester Knibbe - Het hebben van schaduw

ZIJN EN NIET

Zodra iets bestaat, is automatisch sprake van de ontkenning ervan. Bijvoorbeeld: als er leven is, is er dood. Of: voor ons ligt de dichtbundel Het hebben van schaduw van Hester Knibbe en al het andere in de wereld is de bundel niet.
Een van de dingen die deze bundel niet is en er toch zeer direct naar verwijst is de schaduw die de bundel als object afwerpt. Deze schaduw is zowel de negatie van Het hebben van schaduw als de bevestiging ervan. Wie echter alleen een schaduw ziet, kan maar weinig zeggen van hetgeen de schaduw afwerpt. Genoeg gefilosofeerd, laten we nader op het werk ingaan.

Wij zijn
Net als bij Bedriegelijke dagen (2008) begint Het hebben van schaduw met een openingsgedicht dat als vlaggenschip kan worden geduid.

Act

Wij zijn
           van steen in dit bedrijf en vieren
feest en dansen om een stenen tafel met daarin
gefreesd dat wij bestaan

bij gratie van. Dus til dat
zware been, wees lenig als een rots
een berg die zich verkleedt, massief bevallig
zonder leest. Wij zijn

van geest, een wolk die van de berg
de toppen leest en danst en in de hoogste bomen
lanterfant: een sluier, flarden vluchtig
lijf. Wij zijn

voor alles nog het meest
veranderlijk als vlees met harde kern dat hier
verblijft op drift naar een woestijn

geruis. Wij zijn

Zo, mens, Knibbe wijst je op je vergankelijkheid. Ze lijkt te schrijven dat we door tijd en ruimte warrelen, maar wee je gebeente: 'Wij zijn// voor alles nog het meest/ veranderlijk als vlees'. Bovendien is de harde kern die daarin verblijft – de ziel? – 'op drift naar een woestijn// geruis': het ledige, het eindeloze, het levenloze, de dood. Het wit dat als een schaduw op 'Wij zijn' volgt lijkt dit te onderstrepen: we zijn en daarna we zijn niet. Die schaduw heeft alleen betekenis door hetgeen de schaduw werpt.

Schaduw
Wat betreft de filosofische ondertoon, volgt Het hebben van schaduw zijn vlaggenschip nauwgezet. In de delen 'Het hebben van tijd' en 'Het hebben van ruimte' staan dichterlijke observaties van en herinneringen aan veelal terloopse gebeurtenissen met en passant pakkende beelden. Bijvoorbeeld in 'De berg halverwege': 'En daar liepen we/ in de barcode van het licht naar een wervelend uitzicht'. Of, in 'Waterstaat', over een zwaan op een weinig sierlijk moment: met een 'soort blauwalgkolder in z'n kop, duikt à la fuut, jaagt/ onderwaterspoken na, blaast dan weer naar wat niemand ziet, slaat met zijn wieken tegen// lucht'.

Het laatste deel 'Het hebben van schaduw' bevat twee 'in memoria' en een reeks gedichten over de zonen en dochters van Nippon (Japan), dat sinds de tsunami onherroepelijk veranderd is. Japan, zoals we het kenden, bestaat niet meer. Vergankelijkheid; we zien alleen nog schaduwen.

Taalgebruik
Door het verhalende gehalte van haar gedichten, zou je het gevoel kunnen bekruipen dat je te maken hebt met een goed gecamoufleerde prozaïst. Maar de vorm van de gedichten is goed overwogen en haar taalgebruik is vrij alledaags, al staat er af en toe een bijzonder woord tussen, zoals de blauwalgkolder van de zwaan in 'Waterstaat'. Het alledaagse zit bovendien de klankrijkheid ervan niet in de weg.

Evengoed zijn sleetse woorden deel van haar taalgebruik, zoals ook in een van de bovenstaande citaten te zien is ('wervelend uitzicht'). Dat is jammer, bijvoorbeeld in een gedicht waarin een nachthemd in de wind te drogen hangt. Het danst de 'tango', 'swingt' en het woord  'passie' wordt gebruikt. Die dikke romantiek, dat jeugdsentiment en die lege huls halen de kracht uit het vers. Gelukkig overheersen dit soort woorden niet, en zo staat er weinig in de weg om de gedichten tot je te nemen.

Leef, maar gedenk te sterven
Boekrecensies kun je zien als de schaduwen van boeken. Ze bestaan bij de gratie van die boeken en verwijzen ernaar. Maar je moet Knibbes bundel ter hand nemen om te weten of de afsluitende conclusie ook voor jou geldt: Het hebben van schaduw is een toegankelijke bundel over veelal terloopse gebeurtenissen. Een existentiële bodem ontbeert de bundel van Hester Knibbe niet: mens, leef(!), maar gedenk te sterven.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

dinsdag 17 mei 2011

Mini-essay - Young Adult Fiction / jongerenliteratuur

DE KLASSIEKERS VAN DE TOEKOMST


Wie denkt dat alleen ingewikkelde literatuur vol schoonschrijverij en diepzinnige gedachten klassieken kunnen worden, zit ernaast. Het is vooral Young Adult-literatuur die een klassieke status toegeschreven krijgt.

Opkomst en karakteristieken
Hoewel jongeren al begin 19e eeuw in toenemende mate erkend zijn als een op zichzelf staande groep, is pas sinds 1950 de marketing van YA-literatuur op gang gekomen. Dat die marketing nu zo'n grote vlucht neemt, komt waarschijnlijk door het verkoopsucces van Harry Potter en de Twilight-serie, waar pubers over de hele wereld ongebreideld hun leestanden in zetten. Een andere reden in Nederland kan de afschaffing van de leeslijsten op middelbare scholen zijn: leerlingen lezen tegenwoordig wat ze willen lezen.


Wat karakteriseert Young Adult-literatuur? YA-boeken confronteren jongeren met situaties en sociale onderwerpen die vaak iets verder gaan dan de mores van het moment toestaan. Thema's die aan bod komen zijn van groot belang voor tieners: identiteit; relaties met vrienden, liefjes en ouders; seksualiteit; gebruik van drugs en ga zo maar door. De YA-boeken zijn door hun eenduidigheid toegankelijker dan high brow-klassiekers, al is het lastig een exacte grens tussen beide genres te trekken.

Volwassenen vs. jongeren
Intrigerend is dat veel YA-literatuur die gedurende een bepaalde periode erg populair is, later een klassieke status verkrijgt. Tom Sawyer, Alice in Wonderland, Great Expectations, Catcher in the Rye, Lord of the Flies: we hoeven niet eens meer de naam van de auteur te vermelden, zo beroemd zijn ze. Dit kan betekenen dat het jeugdsentiment van de volwassen generaties invloed heeft op de klassieke status van boeken!

Je kunt stellen dat het levensritme van jongeren, hun waarden en normen en dergelijke, waarschijnlijk een bepaald soort literatuur insluit dat deel gaat uitmaken van hun volwassen culturele referentiekader. Wie weet aan te voelen hoe jongere generaties leven, denken en voelen, maakt een kans om met die generaties mee te reizen. Het genre is in opkomst, uitgevers lijken niets liever te willen dan YA-literatuur uit te geven. Prometheus bijvoorbeeld, heeft in navolging van Lebowski en Leminiscaat begin dit jaar een fonds opgericht voor jongeren. Auteurs opgelet: wil je dat je boek een gouwe ouwe wordt, verdiep je dan in de jonkies.


Bovenstaande mini-essay maakt deel uit van 'Special' op 8WEEKLY over jongenenliteratuur. Andere auteurs van dat artikel zijn Nikki Dekker en Frank Heinen