donderdag 13 maart 2008

Robert Gray - Grasschrift

VEELVOORMIGE HELDERHEID


De poëzie van de Australische dichter Robert Gray kenmerkt zich door veelvormigheid, zonder dat die afdoet aan de stilistische eenheid van zijn werk. Met Grasschrift 'introduceert' vertaler Maarten Elzinga deze natuur- en landschapsdichter voor het Nederlandstalige publiek. Naast gedichten uit verschillende publicaties van de dichter is ook ongebundeld werk vertaald. Zowel de poëzie zelf als de vertaling zijn een sterk staaltje schrijfkunst.

De consciëntieuze werkwijze van Maarten Elzinga, hij had bij het vertalen regelmatig contact met Robert Gray zelf, heeft geresulteerd in een 260 bladzijden dikke tweetalige uitgave. Elzinga heeft hier bovendien een even zorgvuldig naschrift aan toegevoegd dat op een informatieve wijze het leven en de poëtica van Gray uiteenzet.

Jeugd
De in Nederland nog goeddeels onbekende Gray moet een zware jeugd gehad hebben. Zijn vader was een door de oorlog getraumatiseerde dronkaard en onfortuinlijke gokverslaafde. Zijn moeder werd door alle ellende een godsdienstwaanzinnige. Zelf verliet Gray voortijdig de middelbare school en begon hij als leerling-journalist een arbeidzaam leven dat hem langs tal van verschillende beroepen leidde. Hij publiceerde 5 bundels en verschillende (steeds herziene) edities van zijn Selected Poems. Zijn literaire voorbeelden zijn ondermeer William Carlos Williams en D.H. Lawrence. Ook de Bijbel heeft een zekere invloed op zijn werk.

De gedichten van Gray kenmerken zich door hun uitgelezen stijl. Veelal vind je inGrasschrift gedichten als uitgebeende en noodzakelijke observaties terug. Niet de roes of het barokke, maar helderheid en scherpte kenmerken Grays poëzie. Mogelijk is daarin het zenboeddhisme terug te vinden, waar Gray al sinds zijn jeugd sterk door is beïnvloed. In zijn veelvormige gedichten – van haiku's tot meer prozaïsch werk – worden sterke beelden opgeroepen die van een sublieme eenvoud zijn. Bijvoorbeeld: 'Chopping wood,/ I strike about at mosquitoes/ with an axe.' Er zijn weinig dichters die zo 'mager' en toch zo betekenisvol schrijven als Gray. Een mooi voorbeeld van Grays beeldende kracht komt uit het gedicht 'Beach shack':
A slanted fence, where magpies fall.
The east is tar, paint-slapped thickly,
and the scalloped surf keeps passing
along the heads, radiantly.
Je ziet het voor je, tuimelende eksters bij een scheef hek, in de verte de zee waarvan de golven gelaten op de kapen breken, onaangedaan door de naderende zware, antraciete lucht.

Chiasme
Grays poëzie is overwegend met een dusdanige distantie geschreven dat je het idee hebt vanaf dezelfde afstand als de dichter de taferelen gade te slaan. Niet zelden is er bovendien het vermoeden dat er meer gaande is dan slechts de waarneming: 'a black sea/ a small white sail// a white sea/ a sail become black'. Observeer je hier hoog vanaf de kust de veranderlijke oceaan en het contrasterende zeil erop, of toont zich hier een talige Yin en Yang? Je zou kunnen zeggen dat dit slechts een chiasme is van maar vier regels. Maar je zou het gedicht te vluchtig lezen als je geen oog hebt voor de drie erin vervatte tegenstellingen: het met waarde doorwasemde zwarte en witte, het grootse en het minieme én het tijdloze en kwetsbare. Dat zich meer afspeelt dan slechts een optekening van een tweetal waarnemingen, wordt nog eens bevestigd door Elzinga's omzetting van 'become' in 'afstekend': 'een zwart afstekend zeil'. Hij had ook het voor de hand liggende 'geworden' kunnen schrijven.

Deze keuze voor 'afstekend' is een voorbeeld van het uitmuntende vertaalwerk dat Elzinga geleverd heeft. Toch pakken niet alle keuzes even goed uit. Vooral de onzorgvuldige omgang met enjambementen is hier en daar storend, omdat het in tweeën hakken van zinnen grote veranderingen teweeg kan brengen in de betekenis en de leeservaring. Het 'You are the digits of nature's prodigality./ You slip' van Gray heeft Elzinga vertaald met 'Jullie vormen de cijfers van de overvloed/ der natuur. Jullie glijden'. Waar de originele regel een vrij eenduidige uitspraak is, geldt dat niet voor de vertaling. Bovendien is niet duidelijk waarom Elzinga voor het archaïsche 'der' gekozen heeft. Helaas glippen er wel vaker verouderde woorden in de vertaling. Wie anno 2007 het woord 'nozems' gebruikt, gaat niet mee met zijn tijd.

'Poetry is what is lost in translation', meende de Amerikaanse dichter Robert Frost. Dit geldt gelukkig niet voor Grasschift. De schoonheidsfoutjes in de vertaling daargelaten, is de bundel een verrijking, pure winst, voor het Nederlandstalige culturele landschap. Gray is een uniek en inspirerend dichter en Elzinga heeft de toon van zijn gedichten goed weten te behouden: de afstand die in Grays poëtische observaties zit, de zinsstructuren, de rake en compacte bewoordingen van Grays taal. Wie slechts de vertaling voor zich zou hebben, zou een Nederlandstalige dichter kunnen vermoeden.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

dinsdag 22 januari 2008

Sasja Janssen - Papaver

BEDWELMING

Papaver. Bekend onder de noemers klaproos en kollebloem, komt deze plantensoort veelvuldig voor op droge en braakliggende gronden. We zien hem terug als maanzaad op onze afbakbroodjes, als het symbool ('the poppy') waarmee de Britten WO I herdenken en misschien zelfs kennen we hem als attribuut van de Griekse goden Hypnos en Demeter. Berucht is de papaver natuurlijk het meest als grondstof voor opium. Sasja Janssen (1968) produceerde enkele maanden geleden haar eigenPapaver. Heeft de hare een vergelijkbare, bedwelmende werking?

Papaver is Janssens poëziedebuut. Eerder publiceerde ze twee romans, het geprezen De Kamerling (2001) en het in de kritieken tegenvallend genoemde Teresa zegt (2005). Wat direct opvalt aan Papaver is de bijzonder zorgvuldige vormgeving van het omslag. Ook wanneer we hem openslaan, ziet de bundel er goed verzorgd uit. Zelfs het ontbreken van een schutblad doet daar niets aan af, het is ofwel een gelukkige speling van het lot, ofwel een vernuftige ver- of ontbeelding van het thema van de bundel.

De poëtica
In Papaver draait het om een 'terugtrekken in taal', zoals het motto uitdraagt: 'in die geweld van 'n eenvoudige herinnering / in jou verdrinkte hande / om mijself weg te bêre in my woord'. Het is een fragment van de Zuid-Afrikaanse Ingrid Jonker, dat over dit poëticale streven gaat. De bundel is opgedragen aan Janssens vader, na wiens overlijden Janssen gedichten is gaan schrijven. Vreemd is het dan ook niet dat, overigens eveneens naar haar eigen zeggen, veel van haar gedichten over verdwijnen gaan.

De poëzie
Papaver opent toepasselijk met een gedicht dat een vermiste souffleuse als onderwerp heeft en eindigt met een gedicht dat de sterfelijkheid in ogenschouw neemt. Zo op het eerste oog een bundel met een plan, een logische structuur. Beheerst, gecontroleerd. Weloverwogen. Toch toont de dichteres zich geenszins een soort paralipofoob, die om noodlottige gevolgen door nalatigheid te voorkomen, compulsief rommel opruimt. Haar poëzie bevindt zich op het midden van controle en loslaten, en schurkt tegen 'hermetische poëzie' aan. Zinnen beginnen altijd met hoofdletters en er staan komma's om zinsdelen te scheiden, maar nooit eindigen Janssens regels op een punt: ze verdwijnen in het wit van de pagina. Er staan vraagtekens aan het einde van sommige regels, maar die trekken iets in twijfel of stellen een vraag die volmondig onbeantwoord blijft.

Intrigerend is dat er twee titelgedichten zijn te vinden: 'Papaver rhoeas' en 'Papaver somniferum', de grote klaproos en de reeds benoemde slaapbol. Beide gedichten hebben betrekking op het thema van de verdwijning. Het eerste handelt vooral over de tragische nietszeggendheid van het leven, het tweede heeft een meer escapistisch thema: de roes. Om een andere reden zijn beide gedichten interessant: ze geven de reikwijdte aan van Janssens huidige poëtische kunnen.

Papavers
Van beide titelgedichten behoort 'Papaver somniferum' tot de zwakkere gedichten van de bundel. Het is wat vlak. Dat 'vlakke' schuilt niet in het poëtische taalgebruik of in de enigszins voor de hand liggende beeldspraak (de roes vinden we terug tussen de labia van een wat exotische vrouw), maar in de mate waarin het gedicht 'af' is. Wie eenmaal dé betekenis heeft doorgrond, kan het gedicht voorgoed voor kennisgeving aannemen. Omdat het gedicht nauwelijks ruimte laat voor andere interpretaties, is het uiteindelijk weinig meer dan een romantisch droombeeld.

Daarentegen heeft 'Papaver rhoeas' een zekere eeuwigheidswaarde. 'Jij niets van bitterdag' opent het – een regel die doet denken aan het Afrikaans van Jonker. 'Speel zo met wind en licht/met klapkinderhanden die verpulveren/voor niemand/en spring het verkleinde landschap uit/tot je vergeet wat je was:' Een volwassen gedicht, behept met effectief toegepaste poëtische elementen. Maar werkelijk weergaloos wordt het door de conclusie, volgend op de dubbele punt aan het einde van het vers. Met niets wordt iets gezegd. Wat daadwerkelijk gezegd wordt, is aan de lezer. Daarmee krijgt het gedicht een grenzeloze ruimte waarin betekenis vrij spel heeft.

Bedwelmend
Licht teleurstellend is een stijlbreuk in twee gedichten door het gebruik van uitroeptekens. Uitroeptekens vestigen aandacht op taaluitingen, in het geval van Janssen gaat het om uitroepen van afschuw of verontwaardiging. De dichteres keert zich hier tegen haar eigen poëtica. Ook maken de vlakkere gedichten, hoewel ze heus niet slecht zijn, de leeservaring minder intrigerend. Toch zijn dit slechts kanttekeningen bij een sterke bundel. Janssen werkt met een intrigerende poëtica die ze vrij consistent in haar poëzie doorvoert. Bijzonder is ook dat ze al bij haar debuut haar metier beheerst. Geen gehakkel, maar weloverwogen poëtisch taalgebruik en fascinerende metaforiek. Janssens Papaver werkt inderdaad bedwelmend.

Gepubliceerd op 8WEEKLY

dinsdag 5 juni 2007


Gedichten eten

Mark Strand

LITERATUUR-LEZING 
In het Academiegebouw aan het Domplein organiseerde op 25 mei het SLAU in samenwerking met Uitgeverij De ArbeiderspersUniversiteit Utrecht en de Nederlandse Ambassade een zeer heugeniswaardige literaire avond rondom de publicatie van een bundeling vertaalde poëzie van de gelauwerde Amerikaanse dichter Mark Strand, die speciaal 'for the occasion' naar hartje Utrecht was getogen. Een dikbuikig programma vol voordrachten, anekdotes en zijpaden. 
tekst: Merijn Schipper | beeld: SLAU



In de Senaatszaal, die met portretten van inmiddels sinds lang ontslapen hoogleraren is bekleed, was geen stoel onbezet. Voor de schouw waarvandaan de koningin goedlachs over het projectiescherm op de gegadigden neerzag, zaten achter een rij tafels Mark Strand, de vertalers Esther Jansma en Wiljan van den Akker en dichteres Tjitske Jansen.

Gedichten eten, de titel van de bloemlezing, was de rode draad van de bijeenkomst. Een zeer ambitieus programma was het, dat zelfs enigszins moest worden ingekort. Niet alleen werd het boek gepresenteerd, ook werd een brug geslagen naar de hedendaage generatie dichters gerepresenteerd door Tjitske Jansen en werd iets verteld over hoe poëzie poëzie voortbrengt, hoe bijvoorbeeld Strand geïnspireerd werd door een gedicht van Carlos Drummond de Andrade, waarop Jansma weer een eigen versie schreef, waarbij overigens ook een aantal fragmenten vertoond werden van een film over de gedichten en het leven van de Braziliaanse dichter.

Toch, van een 'overkill' te spreken, zou schromelijk overdreven zijn. Niet alleen is de poëzie van Mark Strand onovertroffen, maar ook de vertaling leek te staan als een huis. In beide talen mooie woorden, ritmisch kloppend, muzikaliteit, humor. De bedrieglijke eenvoud van Strands poëzie heeft iets weergaloos.



Ook het carambol-effect van poëzie was boeiend. Een gedicht van De Andrade - dat op solide wijze in het Portugees werd voorgedragen door Michaël Stoker - gevolgd door de voordachten van Strand en Jansma van hun eigen, erop geïnspireerde gedichten, gaven op inzichtelijke wijze het doorleven weer van poëzie in poëzie, zonder dat het aan originaliteit hoeft in te boeten.

Om ervoor te zorgen dat de avond iets van frisheid zou behouden, grapte dichteres Jansma, was ervoor gekozen om een jonge dichteres erbij te betrekken die net zo klakkeloos de genreregels aan haar laars lapte als Strand. Haar voordracht was wervelend en daverend applaus galmde door de ruimte.

Zelfs de vragenronde was boeiend. Waar Strand zijn inspiratie vandaan haalde, hoe hij zijn gedichten schreef: "When I write, I want to get it right. Therefore I mistrust the first thing that comes onto the paper." Met een van zijn mooiste gedichten, 'My name', sloot de avond. "I thought when I wrote this one I hit something." Een avond om nog even bij te blijven hangen.

Eerder gepubliceerd op Sapsite